VN MediagidsRein geweten

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 12.08.2008

Door Max van Weezel

Wijnand Duyvendak maakte schoon schip met zijn actieverleden in een boek waarin
hij zijn werdegang van beroepsactivist tot steunpilaar van de parlementaire democratie zelfkritisch onder de loep nam. Jammer alleen van dat persbericht van zijn uitgever.

Joschka Fischer sloot zich op zijn negentiende bij de linkse studentenbeweging in Frankfurt aan. Als commandant van de groepering Revolutionärer Kampf kraakte hij leegstaande panden en leidde hij protestdemonstraties die niet zelden in gevechten met de politie eindigden. Fischer stond aan het hoofd van de Putzgruppe (afkorting voor Proletarische Union für Terror und Zer­stö­rung) die met helmen en knuppels uitgerust agenten te lijf ging. Bij een demonstratie in mei 1976 raakte een van die agenten levensgevaarlijk gewond. De oorzaak: een molotovcocktail die de Putzgruppe naar hem had geworpen. Even later betuigde Fischer spijt over het geweld dat hij had gebruikt. Hij bekeerde zich tot het parlementarisme en richtte – samen met zijn boezemvriend Daniel Cohn-Ben­dit – de Groene Partij op.

Van 1998 tot 2005 was de voormalige straatvechter vice-premier en minister van Bui­ten­land­se Za­ken van de Bonds­republiek. In die hoedanigheid zette hij zich in voor de mensenrechten – bijvoorbeeld op de Balkan. Zijn verleden speelde hem nog wel eens parten. In 2003 eiste de journalist Klaus Rainer Röhl – weduwnaar van terroriste Ulrike Meinhof – het aftreden van de geweldpleger die zich tot democraat had ontwikkeld. De Groe­nen bleven achter hun minister staan. Ook de Duit­se publieke opinie vond dat Röhl spijkers op laag water zocht. Fischer had rekenschap voor zijn verleden afgelegd en waarom zou het iemand niet worden gegund van zijn fouten te leren? De affaire liep met een sisser af. Nu is Fischer een alom gerespecteerd docent aan de Universi­ty of Princeton.

Grappig dat de Nederlanders tegenwoordig minder vergevingsgezind zijn dan de Duitsers. Wijnand Duyvendak sloot zich op zijn drieëntwintigste aan bij de kraakbeweging. Ook liet hij zich inlijven bij de antimilitaristische actiegroep Onkruit. In 1984 werd hij aangehouden bij een inbraak in een militair complex in Dubbeldam. Het leverde hem zes weken gevangenisstraf op. Duyvendak trad toe tot de redactie van het activistische blad Bluf! dat in de jaren tachtig regelmatig het nieuws haalde met geruchtmakende onthullingen, vaak het resultaat van inbraken in ministeries.

Beroemde kop uit Bluf!: ‘Inbreken kan iedereen’. Volgens een artikel in De Telegraaf verdacht de recherche de kraakactivist van betrokkenheid bij de terreurgroep RaRa die in 1985 brand stichtte bij de Makro-vestiging in Dui­ven­drecht. Zelf ontkende Duyvendak dat verhaal met grote stelligheid. Via de Vereniging Milieudefensie (waar hij van 1999 tot 2002 directeur was) ontdekte ook Duy­ven­dak zijn liefde voor de parlementaire politiek. Sinds zes jaar zit hij in de Kamer voor GroenLinks. Net als Fischer legde hij verantwoording af voor zijn militante verleden. Als kraker had hij in een milieu verkeerd waar sommigen het geweld niet schuwden, vertelde hij in december 2003 aan Trouw: ‘Er had zich destijds een hardheid ontwikkeld, waarvan we toen dachten: alles bestaat naast elkaar. Zij deden het met geweld, en wij deden het iets anders, en laat de beste winnen. Nu zie ik veel scherper hoe ontzettend belangrijk het is om geweldloos te zijn, maar dat het ook van groot belang is daarover heel uitgesproken positie te kiezen tegenover mensen die daar anders over denken. Als je in zo’n sfeer van geweld en confrontatie zit kan er een tunnelvisie ontstaan die levensgevaarlijk is.’ Desondanks bleven publicisten als Stan de Jong, Joost Nie­möl­ler en Peter Siebelt hem als de geestelijke vader van het linkse terrorisme in Nederland omschrijven.

Reden waarom Femke Halsema hem aanraadde schoon schip te maken. Hij deed dat in een boek waarin hij zijn wer­de­gang van beroepsactivist tot steunpilaar van de parlementaire democratie zelfkritisch onder de loep nam. Jam­mer alleen van dat persbericht van uitgeverij Bert Bak­ker waarin de indruk werd gewekt dat de parlementariër nog steeds trots was op inbraken als die bij het ministerie van Economische Zaken in 1985. Terwijl hij zich daar juist van had willen distantiëren. De commentaren logen er niet om. Duyvendak was een dief, een inbreker, een terrorist, een ordinaire crimineel. Het stond niet alleen te lezen op websites van Elsevier en GeenStijl maar ook op die van Groen­Links en Nova. ‘Niks jeugdzonde! Zo iemand moet uit de partij gezet worden. Wie zich met politiek bezighoudt, moet een rein geweten hebben,’ meende K. v.d. Broeck uit Den Haag (‘Ik ben zelf van de linkse kerk’) in de Volks­krant.

Afgelopen zaterdag kwam ik Duyven­dak tegen na afloop van de begrafenis van Gerard Lege­beke, befaamd onthullingsjournalist bij de VPRO-radio. Het Ka­mer­lid maakte een licht verbijsterde indruk. Hij had ‘Duy­ven­dak-gate’ totaal niet zien aankomen. Iedereen wist toch dat hij bij Bluf! en Onkruit had gezeten en dat inbraken daar aan de orde van de dag waren? Wat hij kennelijk over het hoofd zag, was dat actie­methoden die anno 1985 de normaalste zaak van de wereld werden gevonden, nu als onwettig en onfatsoenlijk worden afgekeurd. ‘The times they are a-changin,’ zong Dylan al. Jammer voor Wijnand Duyvendak.