VN MediagidsLiberale ego’s
Leuk dat de VVD haar zestigjarig jubileum zo uitbundig heeft gevierd en al helemaal prachtig dat ter gelegenheid daarvan vier boeken uitkwamen: Vrijheidsstreven in verdrukking, Liberale leiders in Europa, Liberale affiches in de twintigste eeuw en Zestig jaar VVD. Zou je van een partij die zich meestal alleen druk maakt over de gestegen benzineprijzen en de schandelijke hoogte van de hondenbelasting niet verwachten, zoveel intellectuele belangstelling. Na het feest in Krasnapolsky heb ik me dus lekker het hele weekend op zolder opgesloten en gelezen over de geschiedenis van de vrijzinnige stroming in Nederland.
Wat een ruzie maakten die mensen! Zo was ik al lang vergeten dat tot de oprichting van de VVD in 1948 altijd verschillende liberale fracties in het parlement zaten die rollebollend over straat gingen. De Liberale Unie raakte eind negentiende eeuw verdeeld in vooruitstrevenden en conservatieven. Ze konden het niet eens worden over de vraag of behalve de elite ook de gewone man stemrecht moest krijgen. De twintigste eeuw was nog geen jaar oud toen de kiesrechthervormers uit de Unie stapten. Onder leiding van de econoom Treub werd de Vrijzinnig-Democratische Bond opgericht. Ultraconservatieven richtten vervolgens de Bond van Vrije Liberalen op. Na invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 gingen confessionelen en sociaal-democraten de landspolitiek domineren. De liberalen raakten in het defensief. Het was geen reden om de rijen te sluiten.
De Vrijheidsbond (later Liberale Staatspartij genoemd) en de VDB concurreerden om de gunst van de weldenkende burgerij. In de jaren twintig en dertig slaagde niemand erin de liberale ego’s zover te krijgen de koppen bij elkaar te steken. Meteen na de Tweede Wereldoorlog werd de situatie nog verwarrender: de VDB sloot zich aan bij de nieuwe Partij van de Arbeid, de rechtsere LSP doopte zich tot Partij van de Vrijheid om. Het zou tot 1948 duren voordat een liberale eenheidspartij – de VVD – werd opgericht. De drijvende krachten daarachter waren de Rotterdamse burgemeester Pieter Oud en Heineken-directeur Dirk Uipko Stikker. Helaas kregen de twee voormannen onmiddellijk ruzie over de onafhankelijkheid van Indonesië. En over de toekomst van Nieuw-Guinea. Stikker – sinds 1948 minister van Buitenlandse Zaken – werd door zijn partijgenoten tot aftreden gedwongen. Hij trok zich teleurgesteld uit de politiek terug. De streberige Oud had voortaan het rijk alleen.
‘Amateurisme is de vloek van de Nederlandse liberalen,’ schreef Stikker later in zijn memoires. Botsende ego’s bleven de VVD parten spelen. Oud raakte in een bloedig conflict verwikkeld met senator Harm van Riel. De behoudende Van Riel liep de gematigde fractievoorzitters Edzo Toxopeus en Molly Geertsema permanent voor de voeten. ‘Mocht ik Van Riel in het hiernamaals ontmoeten, dan liep ik met een bocht om hem heen,’ verklaarde Geertsema een keer. De libertaire Hans Gruijters splitste zich af en richtte samen met Handelsblad-journalist Hans van Mierlo D66 op. In de jaren zeventig zorgde Hans Wiegel voor een grote electorale doorbraak: voor het eerst werd de VVD echt een volkspartij. Na zijn vertrek als fractievoorzitter sloeg de vlam in de pan.
Achter elkaar werden de partijleiders Ed Nijpels, Rudolf de Korte en Joris Voorhoeve aan de kant gezet. Frits Bolkestein bracht een korte periode van stabiliteit. Zijn opvolger Hans Dijkstal werd door het partijkader ten val gebracht. Vice-premier Gerrit Zalm en fractieleider Jozias van Aartsen konden elkaar niet luchten of zien. Geert Wilders begon voor zichzelf. Mark Rutte en Rita Verdonk wilden allebei lijsttrekker worden. Op dit moment zitten er voor het eerst in jaren drie concurrerende liberale partijen in de Kamer: de Partij voor de Vrijheid, Trots op Nederland en D66. En in de volgende kabinetsperiode misschien vier: publicist Dick Pels overweegt de heroprichting van de vooroorlogse Vrijzinnig-Democratische Bond. In de peilingen staat Rutte onder Wilders en Verdonk. De VVD is niet meer de liberale ‘rots in de branding’ die de partij in 1948 wilde worden.
Verontrustend is dat het nu niet alleen om incompatibilité des humeurs tussen de kopstukken gaat. In Zestig jaar VVD constateert historicus Henk te Velde dat de partij er bij de verkiezingen van 2007 niet in slaagde een keus te maken tussen ‘de rustige, op het centrum gerichte bestuurderspartij’ en ‘de dynamische onvoorspelbaarheid van het populisme’. Sindsdien is Verdonk de partij uit gezet. De scheuring in de staten- en gemeenteraadsfracties waarmee de aanhangers van Trotse Rita dreigden, is uitgebleven. Maar of de kiezers de VVD trouw blijven, kan niemand voorspellen. Mark Rutte denkt het hoofd boven water te houden door zichzelf te profileren als een blijmoedige politicus – wars van de bedilzucht van dit kabinet maar ook van het benepen provincialisme van Wilders en Verdonk. In Krasnapolsky kondigde hij aan samen met Eerste Kamerlid Uri Rosenthal te gaan werken aan een beginselverklaring waarin een optimistisch mensbeeld voorop staat. Of dat zal helpen? Ik kijk nu al reikhalzend uit naar het gedenkboek ter gelegenheid van zeventig jaar VVD.
