VN MediagidsGeen steun
Politiek 11.09.2007
Waarom heb ik de ‘Steunverklaring bij de oprichting van het Comité van ex-moslims’ niet ondertekend?
Om eerlijk te zijn: allereerst omdat Afshin Ellian, Paul Cliteur, Jos de Beus en Cisca Dresselhuys me nooit gevraagd hebben hun pamflet te ondertekenen. Elke zichzelf respecterende columnist voelt zich dan natuurlijk een beetje in zijn wiek geschoten. Zo van: waarom vinden ze Max Pam en Theodor Holman wel belangrijk genoeg om het recht op geloofsafval te onderschrijven en mij niet? Ben ik soms geen semi-bekende Nederlander? Toegegeven: het is kinderachtig, maar niets menselijks is de VN-publicist vreemd.
En als ik de oproep met het blauwe stempel ‘vertrouwelijk’ erop wel had ontvangen? Ook dan had ik van mijn medewerking afgezien. In het Nederland van nu doe je er beter aan in zo’n geval meteen uit te leggen dat je niets tegen Ehsan Jami hebt. Natuurlijk vind ik het vreselijk dat het PvdA-raadslid bij het verlaten van een supermarkt in Voorburg werd gemolesteerd, dat bezoekers van de website Turks.nl hem voor een ‘huichelaar’ uitmaken en dat hij een beveiligde woning heeft moeten betrekken. Uiteraard onderschrijf ik het recht van (ex-)moslims door niemand te worden gedwongen koranlessen te volgen. Maar het lukt me niet onvoorwaardelijk solidair te zijn met iemand die in een interview met Trouw zei: ‘Als Mohammed nu zou leven, zou je hem met Osama bin Laden of met Saddam Hoessein kunnen vergelijken. Een verschrikkelijke man, iemand die mooie woorden spreekt, maar achter je rug een mes te voorschijn haalt om je neer te steken. Het was een deceptie te ontdekken wie Mohammed werkelijk is. Mijn enorme bewondering is omgeslagen in diepe minachting.’
Persoonlijk heb ik met de profeet net zo weinig als met aartsvader Abraham, de Here Jezus en de hindoeïstische krijger Krishna. Maar ik zou geen mens willen verbieden de synagoge te bezoeken, het klooster in te gaan of een cursus Bikram Yoga te volgen. Ook voel ik nooit de aanvechting Abraham voor een ordinaire landverhuizer, Jezus voor een hypocriet en Krishna voor een boef uit te maken. Wie in een opperwezen wil geloven, moet dat vooral doen. Wie houvast heeft aan het idee dat God een plaatsvervanger op aarde heeft gehad, ook. En daar zit bij Ehsan Jami de crux. Bijna al mijn islamitische kennissen zijn ervan overtuigd dat het de tweeëntwintigjarige student aan de Haagse Hogeschool niet alleen om het recht op geloofsafval gaat, maar dat hij hun religie als geheel afwijst. Geen onbegrijpelijke reactie sinds zijn opmerking in NRC Handelsblad dat de Koran wemelt van de bepalingen die achterlijk zijn.
Op de sportschool ontmoet ik T., die in Amsterdam-West als een liberale moslima bekend staat. ‘Ze heeft haar haar geverfd, ze drinkt rode wijn, ze houdt van dansen,’ vertrouwde een oudere Marokkaan me ooit op licht jaloerse toon toe. T. is in haar buurt al jaren betrokken bij discussies over radicale jongeren, imams en homo’s. Ze is een trouwe bezoeker van de bijeenkomsten van de Joods-Marokkaanse dialoog. T. wil niemand het recht ontzeggen van zijn geloof af te vallen. Maar de verklaring van het Steuncomité ondertekenen? No way! ‘Ik ben moslim,’ zegt ze. ‘Een moderne, maar ik geloof wel. Ik hoef het van niemand te accepteren dat hij mijn religie achterlijk noemt, dat hij mij achterlijk noemt. Naar mijn gevoel doet Ehsan Jami dat wel.’ Andere verlichte Marokkanen reageren net zo gepikeerd als T.
Het Steuncomité onderschrijft niet alle verwensingen van Jami aan het adres van de profeet Mohammed. Medeoprichter Michiel Hegener distantieerde zich in NRC Handelsblad van de uitspraak dat de profeet als een ‘crimineel’ en een ‘verschrikkelijke man’ moet worden beschouwd. Toch voedt de Steunverklaring (die ik strikt vertrouwelijk onder ogen kreeg) het vermoeden dat het hier wel degelijk gaat om een frontale aanval op de islam. Artikel 6 van de Grondwet verbiedt het aan iedereen in Nederland om anderen te belemmeren van godsdienst of levensbeschouwing te veranderen, staat er. Maar het recht op afvalligheid wordt aan een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking, de moslims namelijk, onthouden. Als ze toch van dat recht gebruik maken, moeten ze vrezen voor hun leven. Volgens de tekst van de verklaring vloeit dat rechtstreeks voort uit het soennitische en sjiitische recht. Conclusie: ‘Dit conflict tussen de islamitische leer en de Nederlandse wet bestaat al jaren. Maar de regering negeert het probleem en stelt kennelijk respect voor de islam boven respect voor individuele vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing.’
Bij het ontbijt neem ik met huisgenote en politicoloog de tekst door. Ook zij heeft in de regel een zwak voor ketters, heidenen en afvalligen. Maar over de steunverklaring zegt ze resoluut: ‘Hier staat wel degelijk dat er een conflict is tussen de islamitische leer en de Nederlandse wet. Waarom moet een comité voor ex-moslims een heel geloof verketteren?’
Ik ben overtuigd. Ik onderteken niet. Al zouden ze me erom smeken.
