VN MediagidsFrankenstein

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 30.06.2008

Door Max van Weezel

De Amsterdamse PvdA-leider Lodewijk Asscher komt uit een vrijzinnig milieu: zijn vader Bram is jurist, moeder Irene hoogleraar arbeidsrecht, oom Hans was musicus, oom Edward is diamantair en senator voor de VVD. Gezien zijn vorige baan – docent privacybescherming aan de Universiteit van Am­ster­dam – had het voor de hand gelegen als hij ook bij de liberalen was uitgekomen. Het werd de sociaal-democratie.

Als wethouder heeft hij zich ontwikkeld tot een van de neo­moralisten die door Wouter Bos als de boegbeelden van de beweging worden beschouwd: politici die de mond vol hebben van termen als binden en verheffen. Asscher wil de wallen schoonvegen en vindt dat de overheid niet de andere kant op moet kijken als het misloopt met probleemjongeren. In april 2007 sprak hij zich – weinig vrijzinnig – uit voor invoering van een opvoedingsplicht voor ouders. Als die faalden, moest op de kinderbijslag worden gekort.

Asscher, die als lijsttrekker de verkiezingen was ingegaan met de leus ‘kinderen eerst’, gaf toe dat zijn gezinsbeleid tot nu toe was mislukt. Er waren veel meer misstanden dan hij had verwacht. Ook was hij zich te pletter geschrokken van de omvangrijke welzijnsindustrie in Amsterdam: instellingen die bureaucratisch functioneerden, elkaar hinderlijk voor de voeten liepen en er vooral op uit waren gigantische subsidies op te strijken. Hij sprak van het ‘mons­ter van Fran­ken­stein dat we hebben gecreëerd’. Vlak na de zomervakantie gaf het college van burgemeester en wethouders opdracht voor de ‘Operatie Franken­stein’: alle geldstromen rond jeugdhulpverlening en jeugdwelzijn zouden worden doorgelicht. Een paar weken geleden verschenen de eerste resultaten.

Het goede nieuws: Amsterdam kent een ‘bonte verzameling van projecten, organisaties en subsidies op het gebied van jeugd en welzijnswerk’. Het slechte nieuws: hulpbehoevende Amsterdammers komen terecht in een doolhof van organisaties die naar elkaar verwijzen. De gemeente heeft geen flauw idee hoeveel geld precies wordt rondgepompt en wat de resultaten van die inspanningen zijn. Als het ene project mislukt, wordt het andere opgestart. Soms met subsidie van de gemeente, soms van het rijk. Intussen neemt het aantal probleemgezinnen toe.

Asscher houdt een pleidooi voor wat hij ‘meer sturingskracht’ noemt. In Amsterdam heeft gemeentesecretaris Henk de Jong opdracht gekregen de versnippering te bestrijden. Maar de wethouder kan zich niet voorstellen dat de welzijnsindustrie alleen in zijn eigen woonplaats ongelukken veroorzaakt. Daarom dringt hij aan op een parlementair onderzoek naar de organisatie van het hele jeugdbeleid in Nederland. Zoals de commissie-Dijsselbloem met het onderwijs heeft gedaan. Asscher op zijn website: ‘Mij is de parallel met het onderwijs opgevallen. De beknotting van de professional, het kind wordt de dupe.’

Hé, dat lijkt als twee druppels water op het pleidooi dat Rita Verdonk (Trots op Nederland) en Tofik Dibi (GroenLinks) vorige week samen voor zo’n onderzoek hebben gehouden. ‘Laat onze kinderen niet in de kou staan, Rouvoet,’ schreven ze pathetisch op de Forum-pagina van de Volkskrant: ‘Nederland wordt telkens weer opgeschrikt met droevige, soms ronduit ontluisterende berichten over de falende jeugdzorg.’ Verdonk en Dibi – allebei lid van de Kamercommissie voor Jeugd en Gezin – zeggen dat ze ChristenUnie-minister André Rouvoet in het begin het voordeel van de twijfel gunden. Maar nu hij al anderhalf jaar regeert, is hun geduld op met ‘de redder die zijn taak verzaakt’. Met hem valt niet te praten over structurele problemen als instanties die elkaar bestrijden, wachtlijsten die oplopen en gezinsvoogden die omkomen in het werk. Dus roepen ook zij op tot instelling van een nieuwe commissie-Dijsselbloem.

Het gezamenlijke opstel van Dibi en Verdonk leidde in de Haagse wandelgangen tot veel gegniffel. Net als het interview dat beide leden van de commissie voor Jeugd en Gezin een dag later aan de Volkskrant gaven (‘Ze is charismatisch, ze haat gezanik, ze is echt goed,’ glundert Tofik Dibi. ‘Hij is kritisch, een doorbijtertje, en reuze oplossingsgericht. Ik herken veel van mezelf in hem,’ knikt Rita Verdonk). Kamerleden van CDA, PvdA en ChristenUnie verdedigden ‘de redder die zijn taak verzaakt’.

Ten onrechte. Rouvoet doet zijn best, maar ook hem ontbreekt het aan ‘sturingskracht’. Hij mag zich minister voor Jeugd en Gezin noemen, niet van Jeugd en Gezin – dat zou hoger in de hiërarchie zijn. Hij woont in bij minister Klink van VWS. Rouvoet beschikt over een budget van zes miljard, maar drie daarvan zijn geoormerkt voor de kinderopvang en die valt onder staatssecretaris Sharon Dijksma. Voor het tegengaan van uitval in het onderwijs is de minister aangewezen op Marja van Bijsterveldt, voor bestrijding van de jeugdwerkloosheid op Piet Hein Donner, voor de aanpak van raddraaiertjes op Ernst Hirsch Ballin. Alleen al die wirwar van bevoegdheden rechtvaardigt een parlementair onderzoek naar het jeugdbeleid.