VN MediagidsElla's doodzonde
Politiek 18.11.2008
Anno 1970 voerde Ella Vogelaar aan de sociale academie De Horst in Driebergen aksie tegen de regentenmaatschappij. Vorige week schoof de partij die de oud-vakbondsvrouw anderhalf jaar geleden met veel tromgeroffel binnenhaalde, Vogelaar bruusk aan de kant. Ze was niet het antwoord op rechts en links populisme gebleken waarop de PvdA in 2007 hoopte.
Vogelaar kon niet omgaan met de media en nam het parlement tegen zich in, heette het inmiddels. Ze was niet in staat ‘effectief en gezagsvol’ te opereren. Terwijl dat voor een moderne politicus wel nodig is. Vogelaar had zich met andere woorden te regentesk gedragen. Ironisch verwijt aan een fervent democratiseerder uit de jaren zeventig.
In zijn boek De kunst van het ivoordraaien behandelt Bas de Gaay Fortman de vereisten waaraan een politicus moet voldoen. Sinds het verschijnen van zijn beknopte handleiding in 1979 zijn die er niet minder gecompliceerd op geworden. Een minister dient zijn of haar ambtenaren onder de duim te kunnen houden en in staat te zijn tot collegiaal overleg binnen het kabinet.
Een goede verstandhouding met lokale bestuurders en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld is wenselijk. Daarin verschilt het jaar 2008 niet veel van de tijd van de verzuiling. Maar de afgelopen decennia zijn er twee criteria bijgekomen. De Fortuyn-revolte dwong Haagse politici zich in termen uit te drukken die ook begrijpelijk waren voor de gewone man. De opkomst van de televisiedemocratie had er al eerder voor gezorgd dat bestuurlijk talent en dossierkennis niet meer toereikend waren. Wie zich niet weet te handhaven bij Matthijs van Nieuwkerk en Pauw & Witteman, kan het verder wel schudden. Een bewindspersoon moet tegenwoordig vooral kunnen kommuniseren – zoals het in 1970 werd gespeld. Dat was niet het sterkste punt van Ella Vogelaar.
In haar interview met het TROS-programma Kamerbreed maakte PvdA-fractieleider Mariëtte Hamer boeiende opmerkingen over wat de verstoten minister voor Wonen, Wijken en Integratie goed en verkeerd had aangepakt. Het contact met modale wijkbewoners liep eigenlijk opperbest. Met wethouders van stadsvernieuwing en bestuurders van woningcorporaties bestond een moeizame relatie, maar dat was niet meer dan logisch. Verkeerd viel haar optreden in de Kamer. Ook bij de leden van haar eigen PvdA-fractie. Zo had planoloog Staf Depla het Vogelaar niet vergeven dat zij hem tijdens het debat over de SS Rotterdam toevoegde dat hij niets snapte van ondernemen. Het was de druppel die voor Hamer de emmer had doen overlopen. Daarnaast speelde de rampzalige beeldvorming van Vogelaar in de media een cruciale rol, beaamde Hamer. Tegen de Frits Westers en Ferry Mingelens in kun je nu eenmaal niet regeren.
De vertrouwenscrisis tussen Vogelaar en de parlementaire pers heb ik zelf van dichtbij kunnen volgen. De schuld ligt, lijkt me, aan twee kanten. Contactgestoord kun je haar niet noemen. Toen ik voorjaar 2007 voor VN een reportage maakte over haar tournee door de probleembuurten, viel me haar ongeremde brutaliteit op. Wijkagenten, winkeliers en Marokkaanse buurtvaders onderwierp ze aan een spervuur van vragen – en geen domme vragen. Intimi, die ik voor het artikel interviewde, wezen ook op haar jarenzeventig-achtige hang naar openheid. ‘Ella is een flapuit,’ zei zakenvrouw Carmen de Jonge die haar kende van de organisatie van reïntegratiebedrijven Borea. ‘Ella praat nooit met meel in de mond,’ voegde oud-vakbondsmaatje Jacques Tichelaar daaraan toe: ‘Haar grootste valkuil is haar openheid.’
Het is een heel andere Ella Vogelaar dan we uit de krantencommentaren kennen. Waar liep het mis? De parlementaire journalisten, geneigd om sociëteit Nieuwspoort als de navel van de wereld te zien, brachten nauwelijks belangstelling op voor haar wijkentournee. Alleen vertegenwoordigers van de buurtbladen kwamen daarop af. De Haagse pers hing liever klaverjassend aan de bar.
Vogelaar op haar beurt kon haar weerzin niet onderdrukken tegen wat ze als oppervlakkige vragen en overdreven aandacht voor kleine incidenten zag. Als ze door Rutger Castricum van GeenStijl of door Jort Kelder op onzin werd getrakteerd, klapte ze dicht. Een doodzonde in het tijdperk van de medialogica, hielden partijgenoten en de pr-adviseurs van VROM haar voor. Maar dat was aan dovemansoren gericht. De slechte omgang met de landelijke media leidde uiteindelijk haar ondergang in. Bijna niemand kon op zo’n goede voorbereiding op het ministerschap bogen als zij: voorzitter van de onderwijsvakbond geweest, vicevoorzitter van de FNV, bestuurslid van VNO-NCW, president-commissaris van Unilever Nederland. Maar wie als bewindsvrouw de wetten van het ‘politiek-publicitair complex’ overtreedt, is gedoemd te mislukken. Dan klaagt de fractie dat de beeldvorming tegenzit. Dan kun je niet meer ‘effectief en gezagsvol’ opereren.
‘Ella is een menselijk powerhouse,’ zei Carmen de Jonge in 2007. Maar als minister onderschatte Vogelaar één allesoverheersend principe: the medium is the message.
