VN MediagidsDe oevers van Babylon
Politiek 06.05.2008
Vrijheid van meningsuiting en uitbanning van discriminatie waren de idealen van mei 1945. Drieënzestig jaar later lijken ze nauwelijks met elkaar te verzoenen.
Was het wel een goed idee om op 4 mei mijn zolder op te ruimen? Nou ja, het kon niet anders: mijn dochter wil die verdieping gaan betrekken dus moesten mijn archiefdozen en krantenknipsels (zie voor een foto VN van 23 februari) weg. En het kwam goed uit dat ik op die manier de papieren nalatenschap van mijn schoonvader Herman Bleich opnieuw ontdekte.
Bleich, die dertien jaar geleden overleed, was een groot deel van zijn leven vluchteling geweest: van zijn geboortedorp in Polen naar Berlijn, van de hoofdstad van het Derde Rijk naar Tsjechoslowakije, na de intocht van de Duitse troepen in Praag door naar Nederland, België, Frankrijk en het veilige Zwitserland. Na de bevrijding vestigde hij zich in Den Haag, waar hij het tot prominent journalist bracht. Die combinatie van omstandigheden verklaart misschien waarom hij een gigantische verzameling knipsels uit de illegale pers verzamelde: artikelen uit Het Parool, Trouw, De Waarheid en Vrij Nederland.
Vooral de bevrijdingsnummers uit mei 1945 zijn nog altijd interessant. Wat wilde het voormalig verzet veel met Nederland. Vrijheid, rechtvaardigheid en liefde – van dat soort hoopvolle begrippen leefden de redacties van de ondergrondse bladen op. De vrijheid van meningsuiting – door de nazi’s met voeten getreden – moest worden hersteld. Net als de vrijheid van godsdienst. Na de vervolging van joden, homoseksuelen en zigeuners mocht niemand meer worden uitgesloten of gediscrimineerd. De vooroorlogse hokjesgeest moest worden doorbroken. De oude politieke partijen moesten worden vervangen door één Nederlandse Volksbeweging (Rita Verdonk is niet de eerste die van een eigen beweging droomt). Ook toen klonk de roep om herstel van normen en waarden, want velen maakten zich zorgen over de zedeloosheid en bandeloosheid die het gevolg van de oorlogsjaren waren.
Drieënzestig jaar na dato blijken al die doelstellingen lelijk met elkaar te kunnen botsen. De vrijheid van meningsuiting wordt vertaald in het recht om de ander te kwetsen. En de Frans Goedharts en Henk van Randwijks van toen hebben vast nooit gedacht dat hun nazaten elkaar naar de keel zouden vliegen over de vraag welke van die doelstellingen het belangrijkst is: de vrijheid van meningsuiting of de plicht minderheden binnen de bevolking niet op de ziel te trappen. In het gepolariseerde Nederland van tegenwoordig doet dat dilemma zich wél voor. En niet zo’n beetje ook. Als je in de Haagse wandelgangen de discussie over de vrijheid van meningsuiting volgt, denk je: bij de bouw van de toren van Babel moeten ze elkaar beter hebben begrepen.
Fleur Agema van de PVV pleit voor de-islamisering van de zorg en krijgt van collega’s als Ineke van Gent (GroenLinks) en Fatma Koser Kaya (D66) te horen dat het er met haar intelligentiepeil niet best voorstaat. Agema’s partijgenoot Dion Graus spreekt het vermoeden uit dat Henk Jan Ormel van het CDA ‘een beginnend lijder aan alzheimer is’ en loopt als de vergadervoorzitter hem terechtwijst stampvoetend van woede uit de Kamer weg. Geert Wilders noemt minister Vogelaar ‘knettergek’ en maakt Balkenende en Hirsch Ballin uit voor beroepslafaards en leugenaars. Vanuit de coulissen merkt Rita Verdonk doodleuk op dat ze geen trek meer heeft in het ‘Haagse gebazel’. Geen wonder dat dit parlement geen vertrouwen inboezemt. Het is een karikatuur van de vrijheid van meningsuiting die de zichzelf overschreeuwende Kamerleden ten beste geven.
Een paar kilometer verwijderd van het Binnenhof, in de As Soennah-moskee aan de Fruitweg, bewijst imam Fawaz dat hij het verband tussen vrijheid, rechtvaardigheid en liefde voor de ander ook nog niet helemaal heeft begrepen. Moderne moslimbestuurders als Ahmed Marcouch krijgen van hem het verwijt dat ze ‘oneerbaar deelnemen aan de onheilige strijd tegen de Islam en haar leerstellingen’. Aan de vrijheid van meningsuiting, waarvan Marcouch volgens de Grondwet gebruik mag maken, heeft hij geen boodschap: ‘Onder het begrip vrijheid in de islam verstaan wij slechts datgene wat Allah voor ons heeft toegestaan.’ Pas nadat het Samenwerkingsverband van Marokkanen in Nederland protest aantekende, trok de salafistische prediker zijn banvloek in.
Bij de dodenherdenking die ik na het opruimen van mijn archiefdozen bezoek, kom ik Marjan Schwegman tegen. De nieuwe directeur van het NIOD heeft gepubliceerd over oorlogshelden als Gerrit van der Veen en Erik Hazelhoff Roelfsema. Een paar weken geleden merkte ze op dat Nederland zulke helden wel wat meer zou mogen vereren. Onbegrip viel haar ten deel, vertelt ze. Op Radio 1 moest ze antwoord geven op vragen als: ‘Vindt u Geert Wilders dan geen held?’ Babylonische spraakverwarring.
Het voormalig verzet koesterde een te verheven beeld van het Nederland van na de bevrijding. Maar vrijheid van meningsuiting en het niet uitsluiten van anderen moeten toch hand in hand kunnen gaan. Misschien kunnen we het anno 2008 eens proberen.
