VN MediagidsBijltjesdag
Politiek 02.09.2008
Moet ik als journalist onthullingen doen over mensen die nu minister of topambtenaar zijn bij een groot departement, maar die ik toen met ‘Kameraad’ aansprak?
Een van mijn favoriete boeken is The Great Fear van de Britse journalist David Caute. Deze oud-redacteur van de New Statesman beschrijft daarin de anticommunistische zuiveringen in Amerika onder de presidenten Truman en Eisenhower. Topambtenaren, wetenschapsmensen en filmregisseurs werden voor gremia als het Senate Permanent Subcommittee on Investigations en het House Un-American Activities Committee gesleept om verantwoording af te leggen voor hun rol in de linkse beweging.
Opmerkelijk was dat de belangstelling van senatoren als Joseph McCarthy niet uitging naar de standpunten die ze op dat moment (begin jaren vijftig) innamen, maar naar de sympathieën die ze in een grijs verleden hadden gekoesterd. De fellow travelers, zoals ze werden genoemd, moesten uitleggen waarom ze in 1936 inzamelingsacties voor de Spaanse Republiek hadden gehouden of in 1938 een abonnement op het communistische dagblad de Daily Worker hadden genomen.
In het Koude Oorlogsklimaat van 1953 durfden de meeste gedaagden geen antwoord op zulke vragen te geven. Ze waren ‘vergeten’ dat ze in hun jeugd een handtekening onder een petitie voor Spanje hadden gezet. Sommigen deden een beroep op het vijfde amendement van de Amerikaanse grondwet waarin staat dat niemand tegen zichzelf hoeft te getuigen. Vaak eindigde zo’n verhoor met ontslag als universitair docent of plaatsing van een acteur op de zwarte lijst die alle filmstudio’s in Hollywood hanteerden. Ook volgde soms gevangenisstraf. Pas onder president Johnson (1963-1969) werden slachtoffers van de Red Scare als wetenschapsman J. Robert Oppenheimer, componist Aaron Copland en regisseur/acteur Charlie Chaplin volledig gerehabiliteerd.
Wie het boek van David Caute leest, denkt onwillekeurig aan het Nederland van 2008: Wijnand Duyvendak die moet opstappen als Tweede Kamerlid vanwege een inbraak bij Economische Zaken die in 1985 werd gepleegd, Jacqueline Cramer die Ernst & Young opdracht geeft te onderzoeken hoe haar handtekening tweeëntwintig jaar geleden onder een steunbetuiging aan het actieblad Bluf! terechtkwam, GroenLinks dat alle krakers en antimilitaristen uit die tijd oproept bij zichzelf na te gaan of ze standpunten hebben ingenomen die haaks staan op de parlementaire democratie zoals we daar nu tegenaan kijken.
Persoonlijk ben ik geen grote held. Stel: ik heb tijdens mijn studententijd drie keer het Instituut voor de Wetenschap der Politiek bezet, een NAVO-conferentie in Bergen aan Zee verstoord en ’s nachts de ruiten ingegooid bij Amerikaanse bedrijven die waren betrokken bij de oorlogvoering in Vietnam, zou ik dat nu durven bekennen? In een klimaat waarin Elsevier, De Telegraaf en GeenStijl tot bijltjesdag oproepen niet. Laat de lezer zelf maar raden of ik dat gedaan heb of niet, zou ik zeggen.
Stel: ik weet dat Jacqueline Cramer begin jaren tachtig vond dat Haagse politici het volk om de tuin leidden als het om de uitbreiding van kernenergie ging? En dat blokkades van centrales als Borssele en Dodewaard daarom gerechtvaardigd waren? Zou ik dat moeten opschrijven omdat ze nu minister van VROM is? Zou het leuk zijn daaraan toe te voegen dat Cramers spindoctor Dig Istha zelf een van degenen was die in 1969 het ruitje van het Maagdenhuis intikte? Ik kom er niet uit. Ik weet dat alleen omdat ik in de jaren zeventig óók studentenactivist in Amsterdam was. Daar ken ik Istha van en Cramer die in de ASVA-beleidsraad zat. Bovendien was haar toenmalige man Sander jarenlang collega van mijn vrouw Anet bij het linkse weekblad De Groene Amsterdammer.
Moet ik als journalist onthullingen doen over mensen die nu minister of topambtenaar zijn, maar die ik toen met ‘Kameraad’ aansprak? Dat kan met goed fatsoen alleen als ik mijn
eigen doopceel ook licht, vind ik. En daar heb ik geen zin in zolang de huidige bijltjesdagsfeer voortduurt.
Helmut Kohl had het in 1984 over de Gnade der späten Geburt: hij was te laat geboren om fout te kunnen zijn geweest in de Tweede Wereldoorlog. Bij mij ligt het andersom. Ik ben te oud om fout te kunnen zijn geweest in de jaren tachtig. Toen Wijnand Duyvendak inbraken pleegde en zich liet opsluiten in militaire bunkers, had ik het druk met het schrijven van stukken over politiek Den Haag in Vrij Nederland, met het onder de knie krijgen van mijn eerste auto en met de zorg voor mijn vrouw en mijn net geboren kind. Het waren de burgerlijkste jaren die ik me kan herinneren.
Dat geldt trouwens voor een groot deel van links Nederland. In de bundel Tussen verbeelding en macht beschrijft de politicoloog Ruud Koopmans hoe de meeste activisten afhaakten na de protesten tegen de plaatsing van de kruisraket. Ze settelden zich. Het was een klein groepje dat radicaliseerde en zich ging bedienen van helm, stok en molotovcocktail. Toch worden nu alle activisten uit die tijd op hoge toon ter verantwoording geroepen. Elsevier, GeenStijl en Femke: jullie worden bedankt!
