VN MediagidsADHD-wantrouwen
Politiek / Tweede Kamer 22.09.2009
Het vertrouwen opzeggen in de regering, ooit deden Kamerleden dat niet zonder keiharde aanleiding. Tegenwoordig is een bad hair day van Balkenende al aanleiding voor een motie van wantrouwen.
Soms verlang ik toch wel eens terug naar het rustige en kalme bestaan dat een Haagse journalist had in de lang vervlogen tijd van de oude politiek. Kamerdebatten gingen meestal over de vraag of het beter was de stofkam door de begroting te halen of de kaasschaaf te hanteren. ‘U gebruikt de botte bijl’ was de ergste verwensing die een op bezuinigingen beluste bewindsman naar het hoofd geslingerd kon krijgen. In de regel dienden regerings- en oppositiefracties bescheiden lijstjes met amendementen in. Als de boeren, bijstandsmoeders en kleine zelfstandigen werden ontzien, toonden CDA, PvdA en VVD zich hoogst tevreden. Waarna we ons met zijn allen overgaven aan de activiteit waarvoor we eigenlijk naar de Algemene Politieke Beschouwingen waren gekomen: een borrel drinken in Nieuwspoort.
Liepen de hartstochten nooit op in de periode die alleen politieke dinosaurussen en winnaars van het Zilveren Koetsje (voor een langer verblijf dan een kwart eeuw op het Binnenhof) zich nu nog als de dag van gisteren herinneren? Jawel: soms deden zich venijnige debatten voor. Onderzoeken naar de teloorgang van de scheepsbouw, het gesjoemel met bouwsubsidies en het uitblijven van een fraudebestendig paspoort zorgden voor deining. Er stapte wel eens een minister of staatssecretaris op. Na elke derde dinsdag van september wond CDA-premier Ruud Lubbers zich op over het plastisch taalgebruik van de sociaal-democratische volkstribuun Marcel van Dam. Die verrijkte de Nederlandse taal onder meer met het werkwoord belubberen (= belazeren). Emoties zat dus. Toch werd er zelden een motie van wantrouwen ingediend tegen het kabinet.
De regels van de oude politiek brachten met zich mee dat je het vertrouwen in de zittende regering niet zomaar op een achternamiddag opzegde. In elk geval niet zonder een concrete aanleiding. Als er al een motie van wantrouwen werd ingediend, ging daar heel wat aan vooraf: een inhoudelijk debat, een uitspraak van een Kamermeerderheid die door het kabinet naast zich werd neergelegd. Pas dan werd het tijd voor spektakel.
In december 1979 dienden PvdA’er Bram Stemerdink en D66’er Laurens Jan Brinkhorst een motie in tegen de plaatsing van kruisraketten in Nederland. Tien CDA-dissidenten hielpen de motie aan een meerderheid. Op een topconferentie in Brussel ging het kabinet toch akkoord met het plaatsingsbesluit. Alleen een voetnoot in het slotcommuniqué herinnerde aan de Nederlandse bezwaren. PvdA en D66 herhaalden in een nieuwe motie het standpunt van de Kamer. Het kabinet dreigde met aftreden en de tien CDA-dissidenten krabbelden terug. De motie werd verworpen.
Juni 1980 herhaalde die gang van zaken zich. Een ruime Kamermeerderheid eiste dat ‘thans een olieboycot werd ingesteld’. Het kabinet weigerde zich bij die uitspraak neer te leggen. Waarop oppositieleider Den Uyl een motie van wantrouwen indiende. Het kabinet overleefde de stemming op het nippertje. In bloemrijk proza vergeleek premier Van Agt zijn regeringsploeg met ‘een rubbervlot op de woelige baren, op en neer geslingerd op de golven’. Maar het rubbervlot bleef drijven.
Nog in 2006 legde staatsrechtgeleerde mr. P.J. Boon uit waarom Kamerleden alleen in uiterste nood een motie van wantrouwen indienden. Want als die werd aangenomen, moest het kabinet zijn biezen pakken. ‘Juist vanwege dit finale karakter bestaat er bij politici een zekere huiver om bij hoogoplopende conflicten van dit instrument gebruik te maken.’ Boon kende de parlementariërs niet die bij de verkiezingen van 22 november 2006 zouden worden gekozen. Al bij het debat over de regeringsverklaring van het vierde kabinet-Balkenende diende Geert Wilders een motie van wantrouwen in tegen de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak. Niet wegens hun beleid, want daaraan waren ze nog niet toegekomen. Niet vanwege het naast zich neerleggen van een uitspraak van de Kamer. Maar vanwege hun dubbele paspoort.
In september 2007 volgde een motie van wantrouwen tegen de ‘knettergekke’ Ella Vogelaar. In maart 2008 eentje tegen Ernst Hirsch Ballin en Guusje ter Horst die zouden hebben gelogen over hun gesprekken met Wilders over de film Fitna. Na de zomervakantie was het de beurt aan het kabinet als geheel. Het ‘verkwanselde’ ons land en pakte het ‘Marokkaanse tuig’ niet hard genoeg aan.
Bij zoveel hyperactiviteit konden de andere fracties niet achterblijven. Rita Verdonk diende een motie van wantrouwen in vanwege het tegenvallende crisispakket, Krista van Velzen van de SP wilde Gerda Verburg wegsturen omdat die de drijfjacht op wilde zwijnen op de Veluwe had toegestaan. Vorige week vormde de bad hair day van premier Balkenende aanleiding tot een motie van wantrouwen van VVD-leider Mark Rutte. Een impulsieve actie die vooral iets zegt over de omgangsvormen in een parlement dat lijdt aan een ongeneeslijke vorm van ADHD.
