VN MediagidsWordt oorlog ‘schoner’? Wetenschappers wereldwijd strijden erover
Buitenland 31.07.2010
In het altijd rustige land der vredeswetenschappers woedt een heuse 'oorlog' over de vraag wie het beste kan tellen. Het gaat om oorlogsslachtoffers. Het probleem duikt bij elke oorlog op. Na de invasie van Irak liepen de schattingen over het aantal slachtoffers pijnlijk uiteen.
De WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) kwam in 2006 tot een aantal van 151.000 doden, terwijl een publicatie in het medische tijdschrift The Lancet tot het vier keer zo hoge aantal van 601.000 kwam.
Veel te grote verschillen natuurlijk, ¬gezien de humanitaire en politieke ¬implicaties. Bij de epidemische oorlogen in Afrika ligt het niet anders. Het Internationale Rode Kruis schatte dat in Congo tussen 1998 en 2007 liefst 5,4 miljoen mensen sneuvelden. Die becijfering werd bekritiseerd door onderzoekers van het Human Security Report (HSR), waarop een bijstelling volgde tot 2,8 miljoen doden. Ook dat vond in 2008 geen genade in de ogen van critici, het HSR kwam tot minder dan twee miljoen. Afschuwelijk veel, maar viel het dan, relatief natuurlijk, allemaal wel mee?
In 2008 publiceerde het British Medical Journal (BMJ) een artikel waarin de bevindingen over dertien 'oorlogs'-landen in de periode 1955-1994 zijn geanalyseerd. De auteurs kraakten de onderzoeksmethode van het Noorse vredesonderzoeksinstituut PRIO, dat weer tot de optimistische conclusie was gekomen dat het aantal oorlogsslachtoffers de laatste vijftig jaar significant is gedaald. Volgens het Britse blad zouden de Noorse berekeningen er zelfs een factor drie naast (= te laag) zitten. Helemaal niet, antwoordde een kwartet onderzoekers in The Journal of Conflict Resolution (JCR) op zijn beurt, de Noren hebben gelijk en het gerenommeerde BMJ zit er gewoon naast. De strijd was ontbrand. En woedt voort.
Het gaat om een strijd tussen methoden: de incidentmethode en de statistiekmethode. De eerste, 'Noorse' methode verzamelt in elke oorlog zo veel mogelijk betrouwbare verslagen en getuigenissen en telt de slachtoffers op. Oneerbiedig gezegd: de knipselmethode. De tweede 'BMJ'-methode analyseert bevolkingsstatistieken, laten we zeggen de telraammethode. Ze maakt aanvullend gebruik van gezondheidssurveys, steekproeven van de Wereldgezondheidsorganisatie waarbij aan de bevolking in landen met gebrekkige bevolkingsstatistieken wordt gevraagd: 'En hoeveel familieleden bent u in de oorlog kwijtgeraakt?'
- De definitie van een oorlogsdode verschilt aanzienlijk
Deze cijfers worden dan vergeleken met 'vooroorlogse' bevolkingscurven en het verschil wordt toegeschreven aan oorlog. De telraammethode komt stelselmatig tot - soms wel vijfmaal - hogere dodencijfers dan de knipselmethode. Dat verklaart grotendeels de grote verschillen in bovengenoemde voorbeelden.
Het British Medical Journal produceert zelfs een wiskundige formule waaruit volgt dat het werkelijke aantal oorlogsslachtoffers (W) stelselmatig groter is dan het 'verkeerde' aantal (x) dat op de Noorse dataset is gebaseerd: W = 27.380 + 1,81 x. Het onderzoek uit het BMJ past de statistische methode toe op dezelfde dertien landen die bij de knipselmethode van de Noorse dataset zijn gebruikt. Die is volgens het BMJ vervuild met onbetrouwbare berichten van journalisten en zou geen rekening houden met het feit dat in oorlogen veel slachtoffers vallen die het nieuws nooit halen.
Dat liet The Journal of Conflict Resolution niet op zich zitten. De Noorse bronnen zijn driedubbel gecheckt en het BMJ kan niet rekenen, volgens JCR, want ze komen voor de onderzochte conflicten tussen 1955-1994 uit op 5,4 miljoen oorlogsdoden. De Noren op 2,8 miljoen, en dat scheelt niet een factor drie maar twee.
Ook de definitie van een oorlogsdode verschilt aanzienlijk: waar de Wereldgezondheidsorganisatie spreekt over doden die 'door respondenten aan oorlog worden toegeschreven', is de Noorse definitie veel strenger. Die spreekt van 'slagvelddoden in conflicten waarbij één der beide gewapende partijen een staat is'. Oorlogsslachtoffers bij gevechten tussen krijgsbendes (zogenaamde niet-statelijke partijen) tellen bij de Noren dus niet mee, en slachtoffers in zogenaamd eenzijdige conflicten waarbij een partij ongewapend is (denk aan Darfur) ook niet. In acht van de dertien onderzochte oorlogen was sprake van genocide of politicide waarbij dit 'soort doden' vielen.
En wat moeten we vinden van de Noorse claim dat het aantal oorlogsslachtoffers sinds de jaren vijftig flink is gedaald, dus dat oorlog 'schoner' wordt? Ook die wordt door het British Medical Journal aangevochten. Wat vervolgens door The Journal of Conflict Resolution weer wordt afgedaan als 'simply wrong'.
De verklaring? De Noren nemen in het begin van hun telperiode de Koreaanse oorlog nog net mee, dus beginnen hoog. En ze eindigen laag, want aan het eind van de telperiode nemen ze de periode 1994-2002 mee, toen de wereld weinig oorlog voerde en de slachtoffertrends navenant daalden, met een factor vijf zelfs. De gezondheidsstatistieken doen dat nu juist niet, lieten het hoge begin en het lage eind weg, dus concludeerden dat oorlog door de jaren heen niet schoner wordt.
