VN MediagidsDe wondere wereld van nieuwe contractvormen
Economie 16.06.2010

Vierenveertig jaar geleden ging de Coentunnel open. Op 21 juni 1966 reden er voor het eerst auto's onder het Noordzeekanaal door. Het was een innovatief project. Maar de opdrachtverlening was zo traditioneel als een klompendans. De tunnel is ontworpen door Rijkswaterstaat zelf. Daarna kreeg een bouwbedrijf de opdracht hem te bouwen. De benodigde 45 miljoen gulden werd betaald door het Rijk. Na oplevering nam Rijkswaterstaat het onderhoud van de tunnel op zich.
Deze manier van werken is nu hopeloos ouderwets. De tweede Coentunnel, waarvoor het werk net is begonnen, wordt gebouwd op basis van een innovatieve contractvorm, waarbij Rijkswaterstaat het ontwerp, de bouw, de financiering én het onderhoud uitbesteedt aan een groep bedrijven.
Welkom in de wondere wereld van de nieuwe contractvormen, in goed Nederlands: DBFM (Design, Build, Finance, Maintain). En voor u nu meteen doorbladert: DBFM is fascinerende materie.
Ten eerste leidt DBFM tot een geheel nieuwe verhouding tussen overheid en bedrijfsleven. Rijkswaterstaat laat nu geen tunnel meer bouwen, maar koopt als het ware een 'dienst' in. In het geval van de Coentunnel: dertig jaar autoverkeer onder het Noordzeekanaal. De omvang van zo'n DBFM-aanbesteding dwingt bedrijven tot langdurige samenwerking tussen ontwerpers, bouwers, juristen en bankiers. Fascinerend zijn ook de bedragen. Het contract voor de tweede Coentunnel is 500 miljoen euro groot.
- DBFM is fascinerende materie
Ook als u dit niet fascinerend vindt, is het goed DBFM te kennen. Het is een manier van aanbesteden waar we de komende jaren nog van zullen horen. Het Rijk wil ermee verder, want het zou beter en goedkoper zijn. 'Minder geld, meer prestatie' luidt zelfs de titel van de evaluatie van de nieuwe contractvormen van minister De Jager van Financiën. Zeven DBFM-projecten zijn door hem geëvalueerd: de renovatie van zijn eigen ministerie, de bouw van de Kromhout Kazerne, het werk aan de A59 en de N31, de bovenbouw van de HSL, de bouw van het Montaigne Lyceum in Ypenburg en de tweede Coentunnel. Conclusie: dankzij de nieuwe contractvorm zijn deze projecten zo'n 15 procent goedkoper. Dat scheelt maar liefst 700 miljoen euro, aldus de minister.
Kan dit waar zijn? Zou kunnen. De redenen waarom nieuwe contractvormen goedkoper kunnen uitvallen, zijn bekend. DBFM dwingt bedrijven een zo goed mogelijk ontwerp te maken dat goedkoop is te bouwen en op de lange termijn voordelig is in het onderhoud. En omdat de overheid alleen betaalt als de afgesproken diensten worden geleverd, hebben de bedrijven een sterke prikkel om te leveren. Bij vertraagde oplevering of tegenvallende onderhoudswerkzaamheden ligt het risico bij de bedrijven. Dit zou tot strak geplande projecten leiden, volgens de voorstanders van DBFM.
Er zijn echter ook tal van argumenten waarom DBFM haast niet goedkoper kan zijn. Zo leidt deze contractvorm tot arbeidsintensieve aanbestedingsprocedures, vuistdikke contracten en andere juristerij. Door de omvang en de looptijd kunnen alleen grote consortia meedoen, wat de concurrentie beperkt. Verder is private financiering duurder dan publieke (omdat de overheid goedkoper geld leent). En het feit dat de overheid alle risico's bij de bedrijven legt, heeft ook een prijs.
Bespaart DBFM de overheid kosten? De 700 miljoen euro waarmee De Jager vorige week naar buiten kwam, overtuigen in elk geval niet. Uit het rapport blijkt dat het gaat om een geschatte 'gerealiseerde meerwaarde' van DBFM ten opzichte van de eveneens geschatte kosten van een traditionele aanbesteding. De minister evalueert de nieuwe contractvorm niet in de praktijk, maar alleen in een zelfgecreëerde, papieren werkelijkheid. Dat is onvoldoende.
Voordat De Jager, of zijn opvolger, inzet op meer DBFM, is het verstandig de kosten en baten van de DBFM echt te vergelijken met een traditionele aanbesteding. Bij een Coentunnel gaat dat niet, maar bijvoorbeeld wel bij de nieuwbouw van een aantal scholen of ziekenhuizen. Tot die tijd is DBFM een fascinerend experiment, maar niet iets waarover een minister zo stellig mag beweren dat hij er honderden miljoenen belastinggeld mee bespaart.
