VN MediagidsZilver op de arbeidsmarkt

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / arbeidsmarkt 02.06.2007

Door Frank Kalshoven

De oudere werknemer is tijdenlang gezien als een beklagenswaardige figuur. Hij zat eigenlijk op de stoel van een jong mens dat werkloos thuiszat, vonden we in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zijn kennis was verouderd, heette het in de jaren negentig, en zijn arbeidsproductiviteit nam af in lijn met zijn fysieke vermogens (kracht) en geestelijke lenigheid.

Investeren in het menselijk kapitaal van een ‘oudere’ – we hadden het over jonge goden en godinnen vanaf een jaar of vijftig – was weggegooid geld. We konden ze beter thuis laten zitten, en verzonnen vervroegde uittreding, vroegpensioen en oudelullendagen. En: ouwe lullen moesten weg.

Dit soort beelden heeft een sterk sociaal-constructivistisch karakter. We verzinnen het en gaan ons ernaar gedragen. Hetzelfde geldt voor, pakweg, ‘goede moeders’ (die afhankelijk van de mode hun kinderen vooral zelf opvangen en opvoeden, of dat juist overlaten aan professionals, zoals in Scandinavische landen het geval is).

Het geschetste beeld van de oudere werknemer is aan het afbrokkelen, al lopen de feiten vooruit op de beelden. Kijk er maar naar, op basis van recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek waarin de stand van 2006 vergeleken wordt met die van 1996. Toen hadden driekwart miljoen mensen boven de vijftig een baan, en waren er nog eens ruim tweehonderdduizend ouderen als zelfstandige aan het werk. Het aantal werkenden in die leeftijdscategorie is in tien jaar tijd bijna verdubbeld tot 1,4 miljoen, terwijl het aantal zelfstandigen met zeventigduizend mensen toenam.

Deze trend zal zich de komende jaren versterkt doorzetten. Kijk even naar de grafieken. In 1996 halveert het aantal werknemers bij de overgang van het cohort 50-54 jaar naar 55-59 jaar. Midden tot eind vijftig was dus het moment om de lier aan de wilgen te hangen. Bij dezelfde overgang in 2006 ziet de verhouding er heel anders uit: minder dan eenvijfde stapt uit, waarbij overigens bijna alle mannen blijven werken en vooral de vrouwen het wel mooi vinden. De echte klap komt in 2006 pas in de overgang naar het volgende cohort van 60-64 jaar. Daarbij houden twee van de drie werknemers het voor gezien. Het uitstapmoment verschuift dus naar latere leeftijd, en er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat volgende cohorten de grens verder gaan verleggen. In dat verband is het aardig om te zien dat ook de arbeidsparticipatie van vijfenzestigplussers vrij spectaculair groeit: van 57.000 mensen in 1996 tot 100.000 in 2006.
Voor de goede orde: de opmars van de oudere werknemer is niet ‘alleen’ het gevolg van de vergrijzing van de beroepsbevolking. Dit zou het geval zijn als van opeenvolgende cohorten eenzelfde percentage actief bleef, waardoor bij grotere cohorten ouderen logischerwijs het aantal werkzame ouderen zou toenemen. Dit effect speelt een grote rol, maar daarnaast neemt ook per cohort het percentage mensen dat werkt toe.

Het is tijd om het oude beeld te vervangen door een nieuw beeld van de vijftigplusser op de arbeidsmarkt – deels om het aan te passen aan de feiten, maar ook vanwege het zelfstandige belang ervan, de sociaal-constructivistische component. Daarbij zit de ‘Museumplein-actie’ van een paar jaar geleden – honderdduizenden gingen de straat op voor behoud van het recht om op jonge leeftijd afgeschreven te worden, een werkelijk bizarre optocht – lelijk in de weg. Het past niet. Misschien moet die actie dan ook wel gezien worden als een laatste oprisping van het oude denken, een finale massale steunbetuiging aan het uit de jaren tachtig stammende beeld van de vijftigplusser als beklagenswaardig karakter in organisaties.

In het nieuwe beeld speelt zilver zeker een rol. En hoe gek het ook mag klinken: flexibiliteit en ondernemerschap ook. Naast de zilveren die ‘gewoon doorwerken’ – recht van lijf en leden, het verstand zit nog tussen de oren, dus waarom niet – lijkt er ook een groep te ontstaan die, oneerbiedig gezegd, z’n kostje bij elkaar scharrelt. De tijd van grote kosten en vaste lasten is achter de rug, er is wat spaargeld (of vermogen uit eigen woning), soms zit er beetje collectief geld bij uit deze of gene uitkering, en overigens wordt er freelance gewerkt, of een kleine onderneming gedreven. Van de ruim 1,6 miljoen werkend actieven boven de vijftig, werden er in 2006 door het CBS zo’n driehonderdduizend aangemerkt als zelfstandige. Deze verhouding van grofweg vier werknemers staat tot één zelfstandige komt in jongere leeftijdsklassen niet voor. Het is uitzonderlijk. Vijftigplussers op de arbeidsmarkt: zilver, ondernemend en flexibel.