VN MediagidsWinstmarges in gehandicaptenzorg hoger dan 10%

Vorig jaar was het jaar van de krimp. Als gevolg van de kredietcrisis kromp het nationaal inkomen met vier procent. Kommer was er. En kwel. In de hele economie, met uitzondering van de gezondheidszorg. Over de ontwikkelingen in deze sector in 2009 meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige week nog doodleuk: 'Hoge omzetgroei en meer winst bij zorginstellingen'.
Dat de zorgsector door groeit terwijl de rest van de economie krimpt is op zichzelf niet zo gek. Er is steeds meer vraag en voor een groot deel financiering via de collectieve kas. We weten bovendien - bijvoorbeeld uit prognoses van het Centraal Planbureau - dat het aandeel van de zorg in de totale economie de komende jaren verder stijgt. Maar ook met deze kennis in het achterhoofd ogen de groeicijfers van de zorgsector spectaculair.
De totale zorgomzet steeg in 2009 met 6,4 procent. Van de vier grote blokken binnen de zorg zijn de verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg de langzaamste groeier met een kleine vier procent in 2009 en dik drie procent per jaar gemiddeld in de afgelopen drie jaar. De andere drie sectoren - ziekenhuizen, geestelijke gezondheidszorg en de gehandicaptenzorg - boekten groeipercentages tegen de acht procent, nog wat hoger dan de afgelopen jaren gebruikelijk was.
De omzetgroei vertaalt zich deels in winstgroei, waarbij de gehandicaptenzorg met een gemiddelde bruto winst van drie procent van de omzet koploper is. Nog opmerkelijker dan de omzet- en winstgroei van deze sector is de verdeling van de winstgevendheid tussen de instellingen voor gehandicaptenzorg.
- Leveren instellingen met zo veel marge ook nog goede zorg?
De gemiddelde winst wordt stevig onderuit getrokken door de tien procent instellingen die verlies maken. Verreweg de meeste instellingen boekten in 2009 tussen de nul en vijf procent winst. Maar is er is ook een grote groep - dertig procent van alle instellingen - die meer dan vijf procent winst boekt. Daaronder bevindt zich zelfs een kopgroep van vijftien procent van alle instellingen die meer dan tien procent bruto resultaat halen. Er zijn heel wat beursgenoteerde ondernemingen die een moord zouden doen voor zulke marges.
Om welke getallen gaat het? In de gehandicaptenzorg - grotendeels betaald uit de volksverzekering AWBZ, maar deels ook uit de Zorgverzekeringswet - is in 2009 een kleine zeven miljard euro omgezet. Na aftrek van de kosten - voor een groot deel uiteraard personeelskosten - bleef voor de sector als geheel driehonderdtien miljoen euro over. Na aftrek van zo'n honderd miljoen aan financieringslasten kwam het bedrijfsresultaat op tweehonderdnegen miljoen euro. Het eigen vermogen steeg naar 1,25 miljard euro op een balanstotaal van dik vijf miljard.
De CBS-cijfers over de gehandicaptenzorg roepen veel vervolgvragen op. Is (meer dan) tien procent winstmarge niet een tikkie veel voor een publiek bekostigde instelling? Leveren instellingen die zo veel marge maken ook nog goede zorg? En als het antwoord bevestigend is, waarom slagen andere instellingen er dan niet in zelfs maar quitte te spelen? Zijn de grote winstmakers ook de innovators van de sector, die tegen lagere kosten betere zorg aanbieden? Of zijn het juist instellingen waar voor de patiënt schraalhans keukenmeester is, met Kniertje als bestuursvoorzitter?
Op één vraag krijgen we in elk geval vast antwoord. Krijgt Nederland voor al die extra omzet - in euro's een stijging van een half miljard - ook meer gehandicaptenzorg? Dat antwoord luidt: nauwelijks. De productie van de instellingen is slechts op twee punten betekenisvol toegenomen: het aantal dagen 'beschermd wonen' voor gehandicapten en het aantal poliklinische gesprekken. Maar over het geheel genomen lijkt het grootste deel van de omzetstijging te wijten aan hogere prijzen.
Midden in een economische crisis je prijzen, omzet en winst verhogen - dat is nog eens ondernemerschap.
