VN MediagidsVergroenende beroepsbevolking

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 06.01.2011

Door Frank Kalshoven

We zagen de golf van mijlenver aankomen, maar nu hij zo dichtbij is - in dit nieuwe jaar slaat hij op het strand - ziet hij er nog indrukwekkender uit dan we al dachten. Na mei 1945 begonnen onze bevrijde voorouders enthousiast baby's te maken. De eerste lichting van deze babyboomgeneratie, geboren in 1946, bereikt in dit fonkelnieuwe jaar de AOW-gerechtigde leeftijd.

Uit de meest recente bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), gepubliceerd op de drempel van het nieuwe jaar, blijkt de omvang van deze grijze golf. In de afgelopen vijf jaar kwamen er 250.000 vijfenzestig-plussers bij, maar de komende vijf jaar beloopt de aanwas het dubbele: een half miljoen mensen, tien grote voetbalstadions vol. Telt Nederland nu 2,6 miljoen vijfenzestig-plussers, in piekjaar 2040 zijn dat er 4,6 miljoen.

Bij een sterk groeiende (beroeps)bevolking is zo'n grijze golf makkelijk op te vangen, zowel op de arbeidsmarkt als in de (overheids)financiën. Maar onze grijze golf gaat gepaard met een krímpende beroepsbevolking. En daar moeten we eens wat harder over nadenken.

De feiten rond de beroepsbevolking zijn helder. De potentiële beroepsbevolking - de voorraad mensen die wat betreft hun leeftijd (tussen de twintig en vijfenzestig) in principe kunnen werken - bestaat nu uit 10,1 miljoen mensen. Tot 2040 daalt hun aantal met 800.000. Door de dubbele beweging - meer ouderen, minder jongeren - loopt het aantal vijfenzestig-plussers per honderd leden van de potentiële beroepsbevolking op van zesentwintig nu tot negenenveertig in 2040.

- In de schoolperiode is potentiële tijdwinst te boeken

Antwoorden op deze demografische ontwikkelingen zijn de afgelopen jaren vooral gezocht aan de achterkant van het werkzame leven. Eerst is een einde gemaakt aan regelingen rond het vroegpensioen, de komende jaren is het verhogen van de AOW-leeftijd aan de beurt. En dat is allemaal nuttig. AOW vanaf zevenenzestig jaar halveert bijvoorbeeld de afname van de beroepsbevolking.

Maar over de 'voorkant' van de beroepsbevolking wordt zelden iets gezegd. De leeftijd waarop jonge mensen beginnen met werken is de afgelopen decennia sterk gestegen - het is de andere kant van de medaille van langduriger scholing. Van een cohort jong volk verlaat inmiddels ruim een derde de schoolbanken met een diploma van het hoger onderwijs op zak - en gaat pas begin tot midden twintig op zoek naar de eerste baan, bijbanen niet meegerekend.

Is daar geen winst te halen? Om het concreet te maken: zou het echt nodig zijn om voor een mastertitel achttien jaar naar school te gaan: acht jaar basisschool, zes jaar voortgezet onderwijs en vier jaar universiteit? Kan de basisschool niet in zeven jaar, het vwo soms niet in vijf? Waarom de havo dan wel? Zijn mbo-opleidingen - waar slechts 850 lesuren per jaar gegeven worden en zeer langdurig stage wordt gelopen - niet domweg een jaar te lang? Kortom: is de indeling van de schoolperiode optimaal?

De vraag stellen is hem beantwoorden: de inrichting van de schoolperiode is niet optimaal. Hier ligt potentiële tijdwinst van, door de oogharen gekeken, één à twee jaar per initiële opleiding. Dit is overigens niet hetzelfde als zeggen: kap er hier en daar domweg een jaartje af. Ik bedoel eerder: studeer er eens serieus op vanuit het perspectief van tijdwinst.

Is het de moeite waard? Jaargangen die nu rond de twintig zijn, bestaan volgens de bevolkingspiramide van het CBS uit een slordige 200.000 mensen. Twee jaar tijdwinst in hun initiële opleiding impliceert de facto 400.000 extra leden van de beroepsbevolking. Het verjongen - vergroenen - van de beroepsbevolking kan dus een aanzienlijke bijdrage leveren aan het op peil houden van de beroepsbevolking. De winst is even groot als de verhoging van de AOW-leeftijd naar zevenenzestig. De twee maatregelen samen heffen de krimp van de beroepsbevolking precies op.

Maar dat is natuurlijk toeval.

[reageren]