VN MediagidsTen onrechte impopulair: Verantwoordingsdag

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 26.05.2007

Door Frank Kalshoven

Afbeelding bij Ten onrechte impopulair: Verantwoordingsdag

De aandacht voor Verantwoordingsdag – de derde woensdag in mei – staat zeker dit jaar in schril contrast met de aandacht voor Prinsjesdag – de derde dinsdag in september.

De plannen van het kabinet voor het komende jaar (Prinsjesdag) krijgen aanmerkelijk meer aandacht dan de realisaties over het afgelopen jaar (Verantwoordingsdag). Dat is raar, vooral omdat er tussen de begroting en de gerealiseerde uitgaven grote verschillen zitten.

Op Verantwoordingsdag wordt het parlement bedolven onder een stapel papier. En nee, die heb ik niet helemaal voor u doorgenomen. Ik heb een willekeurige steekproef genomen: zomaar een onderdeel uit een jaarverslag van een ministerie. De keuze viel op het ministerie van Economische Zaken, het eerste beleidsartikel. De Algemene Rekenkamer (die alle jaarverslagen controleert op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven) is over de verslaggeving prima te spreken, dus dat is alvast het punt niet.

In dat eerste beleidsartikel van EZ staat de algemene doelstelling die het ministerie nastreeft op dit terrein, te weten: ‘Het functioneren van economie en markten in Nederland en Europa bevorderen.’ De Tweede Kamer had bedacht dat hieraan in 2006 wel zesenzestig miljoen euro mocht worden aangegeven, en uit het jaarverslag blijkt dat het er een kleine zevenenzestig zijn geworden. Een kleine overschrijding, zou je zeggen, verder niets aan de hand.

Maar als je gaat kijken naar de verplichtingen die EZ is aangegaan (wat iets anders is dan uitgaven), wordt het al minder feestelijk: zesenzestig miljoen begroot en vijfenzeventig miljoen gerealiseerd, dat is een overschrijding van negen miljoen euro, pakweg vijftien procent.

En binnen dat totaalplaatje, op de afzonderlijke onderdelen, zijn de verschillen extreem. Afwijkingen van vijfentwintig, zelfs vijftig en in een enkel geval honderd procent zijn geen uitzondering. Zo had de Kamer goed gevonden dat het directoraat-generaal Economische Politiek in 2006 voor 4,5 miljoen euro onderzoek zou uitzetten. Men hield een miljoen in de zak. Als bijdrage aan ‘diverse instituten’ zou EZ in 2006 1,3 miljoen euro uitgeven; het werden er 2,4 miljoen. Voor de ‘toezichthouder consumenten’ had de Kamer een kleine twee miljoen euro over, maar het werden er dik vier, ruim honderd procent meer.

Dan kun je als Kamer – en als journalistiek – wel lekker veel aandacht geven aan de begrotingen, maar het moge duidelijk zijn dat de uitkomst nogal kan verschillen van de plannen. De toelichting op dit soort verschillen is even summier als laconiek. Die ‘toezichthouder consumenten’ bijvoorbeeld wordt simpelweg afgedaan als kosten gemaakt in het ‘opstartjaar’.

Zo’n willekeurig onderdeel uit een jaarverslag van een ministerie is ook om een heel andere reden hartstikke interessant. De bedoeling is namelijk dat wordt aangegeven wat het doel is dat wordt nagestreefd, dat dat doel operationeel en concreet wordt gemaakt, en dat wordt aangegeven hoeveel geld het bereiken van dat doel mag kosten. In zo’n jaarverslag zie je de ambtenaren daarmee zwoegen.
Neem de doelstelling ‘structurele economische groei van Nederland bevorderen’. Als het ministerie van Economische Zaken in staat was om dat echt te doen, al is het maar een fractie van een procent, dan mocht dat natuurlijk best wat kosten, want een procent economische groei is grofweg zes miljard per jaar. En de lieverds hebben dan ook echt in het jaarverslag gezet hoe hoog de economische groei is geweest de afgelopen jaren, hoe hoog die naar verwachting in de toekomst is, en hoe zich dat verhoudt tot de groei in andere Europese landen.

Maar ze zullen op EZ toch wel niet echt de illusie hebben dat het activiteitenlijstje de groei echt heeft verhoogd? Want daarop staat bijvoorbeeld dat men ‘bestuurlijke en inhoudelijke contacten heeft onderhouden met het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Centraal Planbureau’. En dat er ‘gecoördineerd’ is, door EZ, inzake de ‘interdepartementale visie- en strategievorming economisch beleid’. Ik zeg niet dat het geen nuttig werk is, ik zeg ook niet dat het niet gebeuren moet, maar laten we elkaar geen mietje noemen: met al dat mooie werk is hooguit een bijdrage geleverd aan een politiek en maatschappelijk klimaat waarin economische groei een gespreksthema is gebleven – naast vijfentwintig andere onderwerpen.

Deze worsteling (wat is ons doel eigenlijk en valt dat ook concreet te maken?) is niet alleen geestig (soms) maar ook hartstikke nuttig, omdat het ministers en ambtenaren dwingt tot reflectie. Dat werkt natuurlijk alleen als buitenstaanders en leden van het parlement er ook iets van zeggen. Anders staat er volgend jaar op dezelfde plek in het jaarverslag weer dat EZ de economische groei heeft opgejaagd (knippen/plakken immers).

Een echt handig parlement zegt natuurlijk: als je je doelstellingen niet fatsoenlijk kunt opschrijven en operationaliseren, krijg je ook geen schaars belastinggeld. Mijn vermoeden is dat dat nogal zou schelen in de kosten.