VN MediagidsTem de bankier
Er zijn kleine problemen, grote problemen en problemen die groot genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen, en het afgelopen halfjaar is duidelijk geworden dat de bankensector zich in de laatste categorie bevindt. Om die reden worden niet alleen over de hele wereld maatregelen genomen om banken op korte termijn overeind te houden, maar wordt tegelijkertijd nagedacht over het bankensysteem na de crisis. Dat gebeurt internationaal – vorige week rapporteerde de commissie-Larosière aan de Europese Commissie – en nationaal. Hier broedt de Nederlandse Vereniging van Banken op het onderwerp.
De kern van het probleem met grote banken – dat is de les van de afgelopen maanden – is dat het geen echte ondernemingen zijn. Ze lijken op ondernemingen, gedragen zich in normale tijden ook als ondernemingen, maar als het puntje bij paaltje komt kunnen ze niet failliet gaan. En dus zijn het geen ondernemingen. Alleen kleine banken – die mogen omvallen zonder grote repercussies voor de rest van het bankwezen en de economie – zijn ondernemingen. De grote niet. Het belang van de mogelijkheid van een faillissement kan nauwelijks overschat worden. Niet alleen in macro-economisch opzicht: bij de dynamiek van een markteconomie hoort opkomst en ondergang van bedrijven en bedrijfstakken.
Ook in micro-economisch opzicht: als een individuele bank of bankier zelf de zoete vruchten plukt als het goed gaat, maar de zure vruchten afgeeft aan de overheid (en dus aan de belastingbetaler), is het rationeel om (te) veel risico te nemen. Economen noemen dat het moral hazard-probleem. In de gedachtevorming over het financiële stelsel van de toekomst wordt om dit fundamentele vraagstuk heen gedraaid. De commissie-Larosière, bijvoorbeeld, doet allerlei nuttige, veelal technische aanbevelingen. Die variëren van de versterking van het Europese toezicht – zodat multinationale toestanden als die met Fortis eerder worden onderkend en ordelijker worden opgelost – tot het aanscherpen van de vermogenseisen van banken en het nog eens nadenken over internationale boekhoudregels. De discussie hierover lijkt zich toe te spitsen op de vraag hoe dat Europese toezicht dan precies gestalte moet krijgen, en welke rol de Europese Centrale Bank daarin dan moet spelen. Allemaal nuttig.
Maar al deze reguleringsmaatregelen hebben betrekking op het versterken van de kooi, niet op het temmen van het beest. Hoe lossen we het moral hazard-vraagstuk op?
Een van de theoretische mogelijkheden is natuurlijk om de grote banken domweg te nationaliseren of genationaliseerd te houden, zoals ABN Amro. De overheid kan dan bepalen welke risico’s een bank(ier) mag nemen en zo voorkomen dat er andermaal te grof gegokt wordt. Dit lost het probleem wel op, maar tegen enorme maatschappelijke kosten, omdat de prikkels om op financieel gebied te innoveren verdwijnen. We zoeken idealiter naar een oplossing die bankiers ondernemend houdt, zonder de perverse risicoprikkel. Het beest aan de riem.
De oplossing bevindt zich vermoedelijk rond een begrip dat ‘terugklauwen’ wordt genoemd, naar het Engelse clawback. Het idee hierachter is dat bankiers, net als nu, weliswaar beloond worden als het goed gaat, maar dat, en dat is nieuw, hun (variabele) beloning wordt teruggevorderd als het in de toekomst slecht gaat. De prikkel om te grote risico’s te nemen, wordt zo ingedamd. Dit terugklauwen wordt natuurlijk nooit wat als de bank (of de overheid) achteraf eenmaal uitgekeerd geld bij individuele bankiers moet gaan terugvorderen. Het zal in een vorm moeten waarin verdiend geld in eerste instantie virtueel is, een conditioneel recht, en pas jaren later daadwerkelijk wordt uitgekeerd (of niet). Voor het ontwerpen van een goede structuur van zo’n ‘bankiersfonds’ kan je trouwens heel goed een beroep doen op… bankiers.
Het versterken van de kooi, zoals de commissie-Larosière voorstelt, is zonder meer een goed idee. Maar als we de kans op financiële crises in de toekomst willen verkleinen, zal ook het beest aan de riem moeten.
Per abuis is deze column in het blad onder de naam van Kees Kraaijeveld verschenen, waarvoor onze excuses.
