VN MediagidsSolidariteit op de arbeidsmarkt

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / arbeidsmarkt 09.12.2006

Door Frank Kalshoven

De kranten brachten het nieuws over de jongste studie van het Centraal Planbureau (CPB) naar ontslagbescherming onder het motto: vermindering heeft weinig effect op werkgelegenheid en werkloosheid. De kranten misten het punt weer eens. Dat luidde: vermindering van de ontslagbescherming herstelt de solidariteit op de arbeidsmarkt.

Eerst een voorbeeld, uit het leven gegrepen. Een ondernemer met wie ik aan de praat raakte, legde me een duivels dilemma voor. Klein bedrijf, een paar jaar oud, een paar man personeel. Een van de medewerkers werkte nu bijna drie jaar bij het bedrijf, op opeenvolgende tijdelijke contracten. Drie jaar is een harde wettelijke grens: de ondernemer moest nu besluiten tussen het aanbieden van een vast contract of ontslag. De medewerker was in de vijftig en deed zijn werk prima.

De ondernemer had pijn in zijn buik van beide opties. Ontslag betekende dat hij een ‘kansloze’ op de keien zou zetten – niet kansloos omdat de medewerker weinig kennis en vaardigheden bezat, maar omdat de arbeidsmarkt voor vijftigers zo beroerd is. Daar kun je het niet mee eens zijn, maar het is een fact of life. Als de medewerker het statistische gemiddelde zou volgen, zou hij minstens een jaar in de WW zitten, en was de kans op een nieuwe baan klein. Dat wilde hij zijn medewerker niet aandoen.

Een vast contract dan maar? Hij durfde niet.

Gezien de slechte kansen van deze medewerker op de arbeidsmarkt zou de ondernemer in feite de belofte doen hem tot zijn pensioen emplooi te bieden, nog minstens tien jaar. Vermenigvuldigd met zijn jaarsalaris ging hij in feite een verplichting aan van meer dan een half miljoen euro. Hij zou het risico op zich nemen van ziekte, mogelijk afnemende prestaties op lange termijn, om nog maar te zwijgen van de moral hazard: dat de werknemer, het vaste contract eenmaal getekend, een versnelling zou terugschakelen. Natuurlijk: als het te gek werd, hoorde een ontslagprocedure in de toekomst tot de mogelijkheden, maar een snelle rekensom volgens de kantonrechtersformule – waarin het ontslag van oudere werknemers duurder is dan dat van jonge – leerde dat zo’n grapje minstens een jaarsalaris zou kosten, en alleen maar duurder werd naarmate de medewerker langer op zijn loonlijst stond.

Hoe het is afgelopen, weet ik niet, en dat doet er ook niet toe. Het punt is dat de arbeidsmarktwetgeving mensen pijn in hun buik bezorgt. Sommige ondernemers kiezen voor ontslag, anderen voor het vaste contract. En het netto gevolg is dat er meer vijftigers in de WW zitten dan nodig is.

De studie van het CPB, Employment Protection Legislation, concludeert inderdaad dat vermindering van de ontslagbescherming niet zo gek veel uitmaakt voor de totale werkgelegenheid en de totale werkloosheid. Waar het om gaat is: minder ontslagbescherming geeft Nederlanders een gelijkere kans op werk. De onderzoekers schrijven, op basis van alle beschikbare empirische literatuur: ‘Het effect van ontslagbescherming op de werkloosheid en werkgelegenheid verschilt tussen groepen werknemers. Minder ontslagbescherming is gunstig voor de kansen van nieuwkomers, zoals jongeren en immigranten, en herintredende vrouwen op de arbeidsmarkt. Voor mannen tussen de 25 en 50 jaar is het effect van minder ontslagbescherming ongunstig, voor ouderen is het effect niet eenduidig.’

De discussie over ontslagbescherming (en de maximale duur van tijdelijke arbeidscontracten) gaat dus in feite over solidariteit. Wie voor handhaving is van het huidige systeem – de vakbonden, politieke partijen als CDA, PvdA en SP – verklaart zich solidair met (blanke) mannen tussen de 25 en 50 jaar. Wie pleit voor versoepeling – (kleine) werkgevers, politieke partijen als VVD en GroenLinks – is juist solidair met de outsiders. Om jongeren, vrouwen, immigranten (en ouderen, zeg ik er toch maar even bij) meer kans te geven op de arbeidsmarkt, moeten de blanke mannen wat meer risico gaan lopen.

Voor de ondernemer en zijn medewerker waren er twee buikpijnvrije oplossingen. De eerste was: nog een tijdelijk contract. Dat mocht ook van de ondernemer best een contract voor drie of vijf jaar zijn – het was een goede kracht tenslotte – , als het risico maar overzichtelijk bleef in relatie tot de omvang van zijn onderneming. Met een beetje mazzel konden medewerker en ondernemer zo, met opeenvolgende contracten, samen de vijfenzestig halen. De tweede oplossing: een vast contract met procedurearm en goedkoop ontslag. De ondernemer zou liefst tekenen voor de eerste optie, maar met de tweede kon hij leven.

Concluderen is makkelijk: omlaag met die ontslagbescherming.