VN MediagidsSlimmer werken loont
Economie / arbeidsmarkt / CBS 15.09.2009
We moeten langer werken, vindt het kabinet. Na de crisis komt er arbeidsschaarste aan, en daarom zouden deeltijdwerkers (vooral vrouwen) gestimuleerd moeten worden elke week een paar uur extra te werken. En aan het einde van het werkzame leven kunnen we er best nog twee jaar aan vastplakken, waardoor de AOW-leeftijd naar 67 kan.
En dan is er ineens een plaatje van het Centraal Bureau voor de Statistiek, een grafiekje om blij van te worden, dat ons eraan herinnert hoe het echt zit: we worden niet rijker omdat we meer uren werken, maar omdat we in de uren die we werken steeds productiever zijn geworden. Voor vaste lezers van deze rubriek is die boodschap niet nieuw – maar kijk toch eens hoe prachtig dat door het CBS wordt geïllustreerd.
In de grafiek zien we drie lijnen, alle drie indexcijfers die voor 1948 op 100 zijn gezet. De vlakke lijn is de arbeidsduur per inwoner van Nederland. Hieraan is dus in de afgelopen jaren nagenoeg niets veranderd, wat opmerkelijk mag heten. Het CBS meet dit overigens in arbeidsjaren, waardoor de huidige arbeidsinzet van de Nederlander nogal wordt overschat. In 1950 bestond een voltijdsbaan, een arbeidsjaar dus, uit 2280 uur werk, wat in 2005 was teruggelopen tot 1720 uur. Door te meten in arbeidsjaren laat het CBS deze substantiële verkorting van de arbeidsduur (een procent of 25) buiten beschouwing.
Nederlanders zijn dus niet langer gaan werken (eerder veel korter dus), maar wel gemiddeld ruim vier keer zo rijk als in 1948. Deze welvaartstoename (voor de liefhebber: gemeten in bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking) wordt bijna volledig verklaard door de even spectaculaire groei van de arbeidsproductiviteit.
Door slimmer te werken – met een beter opgeleide beroepsbevolking, met gebruikmaking van meer kapitaal en betere technologie – slagen we erin één voltijdswerknemer nu vier keer zoveel te laten produceren als in 1948.
Voor recente periodes kan het CBS de bijdrage van de arbeidsduur aan de welvaartsgroei nader uiteenrafelen, en dat is interessant met oog op de nabije toekomst. Neem als voorbeeld de periode 2002-2008. De welvaart per Nederlander steeg met 1,6 procent per jaar. De arbeidsproductiviteit steeg ook met 1,6 procent per jaar, wat overigens fors lager was dan in de meeste andere naoorlogse perioden. In de ontwikkeling van de arbeidsduur veranderde per saldo (dus) niets. Maar achter dat gebrek aan ontwikkeling gaan drie factoren schuil. Ten eerste: het aandeel 15- 64-jarigen in de totale bevolking – dat is de leeftijdsgroep die in principe kan werken – nam licht af (min 0,1 procent). Ten tweede: het aandeel mensen binnen die groep 15- 64-jarigen dat ook echt werkte, nam flink toe (plus 0,5 procent). Ten derde werkten de Nederlanders dan weer meer in deeltijd (min 0,4). Saldo: nul.
Voor de nabije toekomst zijn dit interessante gegevens. Want we weten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de eerste factor (aandeel 15- 64-jarigen in de bevolking) de komende jaren gaat dalen – dat is de vergrijzing. En het kabinet probeert deze daling dus te compenseren met meer arbeidsdeelname en grotere deeltijdbanen.
Maar, rekent het CBS voor, de welvaartsgroei die daarmee te bereiken valt, is beperkt – het zou al wat zijn als die maatregelen afkalving van de gemiddelde arbeidsduur per Nederlander zouden voorkomen. Daar staat tegenover: het vasthouden of verhogen van de productiviteitsgroei sorteert juist groot effect. De conclusie: arbeidsproductiviteitsgroei is de voornaamste kandidaat om onze toekomstige welvaart te garanderen.
Het zou flauw zijn om te zeggen dat het kabinet hier niets aan doet. Maar het accent ligt dezer dagen op meer uren werken. Slimmer werken is goedbeschouwd een beter thema. Zelden een plaatje gezien dat dit zo treffend illustreert als bijgaande grafiek.
