VN MediagidsPijn in de publieke sector (5)
Economie / Onderwijs / Publieke sector 09.02.2008
Als het klopt – en ik denk dat ik dat op zijn minst aannemelijk heb gemaakt, de afgelopen weken – dat de publieke sector de komende jaren onder financiële druk komt te staan, is het zaak actie te ondernemen.
Niets doen is onaantrekkelijk, omdat de rechtvaardigheid en (kans)gelijkheid die de overheid voor ons organiseert, alom waardevol worden gevonden. Een ‘Verelendungs-scenario’ voor de publieke sector, waarvan best kan worden volgehouden dat dat al in gang is gezet, is onaantrekkelijk.
Welke actie? Er zijn drie hoofdthema’s. Het eerste is: activiteiten staken. Het tweede is: beleid specifieker maken. Het derde is: (echt) innoveren en met minder belastinggeld betere (publieke) dienstverlening aanbieden. Laten we maar eens kijken wat dat op een concreter niveau behelst.
Staken van activiteiten. Het takenlijstje van de overheid is lang, en niet alle taken zijn even zinvol.
Dit is uiteraard mede een kwestie van (politieke) smaak, maar over nut en noodzaak van overheidsbeleid kan daarnaast ook wel in meer technische zin wat worden gezegd. In de ambtenarij zijn daar, aan de economie ontleende, beslismodellen voor. Die borduren voort op wat ik in het begin van deze serie schreef: dat markten in principe efficiënt zijn (en geen rekening houden met rechtvaardigheid), maar dat er allerlei vormen van marktfalen bestaan. Om overheidsingrijpen te legitimeren, is daarom de eerste vraag: is er sprake van marktfalen, en zo ja, hoe hoog zijn de kosten daarvan? Vervolgens kunnen allerlei vormen van ingrijpen worden bekeken die dat marktfalen zouden opheffen of bestrijden, inclusief de daaraan verbonden publieke en private kosten.
De technisch-economische beslisregel luidt vervolgens: overheidsingrijpen is alleen geboden als de kosten van overheidsingrijpen lager zijn dan de kosten van het marktfalen. Daarnaast kunnen overwegingen van rechtvaardigheid en paternalisme de balans nog naar overheidsingrijpen doen doorslaan. Leggen we dit beslismodel langs de huidige activiteiten van de overheid, dan valt er het nodige op te ruimen. Nog afgezien van wat een echte taakanalyse van bijvoorbeeld ministeries zou kunnen opleveren – sprokkelposten die bij elkaar in de miljarden lopen –, zijn er ook hele domeinen waarvan de overheid zich grotendeels zou kunnen, of moeten, terugtrekken. Ik denk in het bijzonder aan het hoger onderwijs en de huizenmarkt.
Het hoger onderwijs wordt bezocht door de bovenkant van de talentenverdeling van een generatie, de groep waarvan het verwachte inkomen over de hele loopbaan bekeken substantieel hoger is dan dat van generatiegenoten met minder hersens. Het is inefficiënt én onrechtvaardig juist hen te subsidiëren. Op een volkomen vrije markt voor hoger onderwijs zijn er wel degelijk vormen van marktfalen (betreffende de financiering van de opleidingskosten, en de verzekering van het terugbetaalrisico) maar die kunnen ook op een andere manier, en tegen een fractie van de kosten, worden opgelost. Een goed idee hiervoor is een sociaal leenstelsel, waarover PvdA-fractieleider Jacques Tichelaar onlangs sprak in uw eigen VN. Maximale kostenbesparing: grofweg vijf miljard euro.
Het ingrijpen van de overheid in de huizenmarkt (hypotheekrenteaftrek, huurtoeslag, prijssysteem met punten) is een kostenverslindende operatie, die publieke doelen (betaalbaar en goed wonen, ook voor wie het niet breed heeft) verder weg duwt in plaats van dichterbij brengt. Het marktfalen op een vrije woningmarkt staat in geen verhouding tot het overheidsingrijpen en overheidsfalen. Ik heb daar in VN eerder uitgebreid over geschreven. Maximale kostenbesparing: grofweg vijftien miljard euro.
Naast het ophouden met bepaalde taken, zou ook het beter richten van overheidsbeleid ruimte kunnen scheppen, zonder afbreuk te doen aan de rechtvaardigheid. Beter richten is een rechtstreeks antwoord op een van de vijf eerder beschreven trends, namelijk dat de samenleving steeds heterogener wordt, en er, op weg naar de geadresseerde, steeds meer belastinggeld wordt vermorst.
Een mooi voorbeeld hiervan is de kinderbijslag, een volksverzekering waarvan de hoogte onafhankelijk is van het inkomen van de ouders. Totale kosten: dik drie miljard. Voor de kinderen van de captain of industry wordt elk kwartaal eenzelfde bedrag overgemaakt als voor de kids van de bijstandsmoeder. Beperking van de kinderbijslag tot, zeg, de onderste helft van de inkomensverdeling, is een evident geval van beter richten. En niemand kan met droge ogen beweren dat de rechtvaardigheid zou lijden onder deze kostenbesparing. Gratis schoolboeken zijn van hetzelfde laken een pak.
Door sommige activiteiten grotendeels te staken (subsidiëren hoger onderwijs, koop- en huursubsidie) en andere collectieve uitgaven beter te richten (kinderbijslag, schoolboeken), kan publiek geld worden bespaard zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de wezenlijke taken van de overheid. In beide gevallen komt het neer op het schrappen van activiteiten die nauwelijks bijdragen aan het corrigeren van marktfalen, of het bevorderen van kansgelijkheid of zelfs verdelende rechtvaardigheid.
Maar dan blijft er nog altijd een grote publieke sector over. En een van de hamvragen van de eenentwintigste eeuw is: zijn er manieren te bedenken om binnen de publieke sector de efficiëntie te bevorderen? Daar gaan we volgende week over nadenken.
