VN MediagidsOpleidings- en bestemmingsparadox

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / Onderwijs 17.11.2007

Door Frank Kalshoven

Het aandeel hoogopgeleiden in de werkzame beroepsbevolking neemt nog steeds toe. In 2006 was bijna een derde van de werkzame personen hoogopgeleid, tegen een kwart in 1996, aldus een blijmoedige mededeling van het Cen­traal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Dat moet, in een wereld waarin kennis een steeds grotere rol speelt, toch een heuglijke mededeling zijn?

Ik vind het steeds lastiger om die vraag volmondig bevestigend te beantwoorden. Het algemene juichverhaal over kenniseconomie is niet zo moeilijk te begrijpen. De technologie schrijdt voort, de internationale handel en kapitaalstromen groeien snel waardoor de internationale arbeidsdeling steeds nadrukkelijker gestalte krijgt. Op kosten kunnen Nederlandse bedrijven op veel gebieden niet of nauwelijks concurreren, dus moet dat op productiviteit en kwaliteit en hiervoor zijn steeds hoger opgeleide werknemers nodig. Prima allemaal, in theorie.

Maar waarom stelt, ten eerste, niemand (empirische) vragen bij de bestemming van al die hoger opgeleiden? Want die bestemming, de plekken waar de hbo’ers en wo’ers werk vinden, passen helemaal niet bij dat algemene juichverhaal. Dit noem ik maar even de bestemmingsparadox. En waarom, ten tweede, maakt niemand zich zorgen over het (empirisch negatieve) verband tussen het aantal hoger opgeleiden dat in een bepaalde sector werkt en de in die sector geboekte groei van de arbeidsproductiviteit? Dit noem ik de opleidingsparadox.

Ik leg ze uit, illustreer ze met wat cijfers, en hoop vooral dat er (beleids)wetenschappers zijn die hiermee verder aan de slag willen.

De bestemmingsparadox. Als het algemene verhaal over de kenniseconomie klopt, zouden we de meeste hoger opgeleiden moeten aantreffen in sectoren die bloot staan aan internationale concurrentie. Van concurrentie afgeschermde sectoren, immers, kunnen best in bedrijf blijven zonder kwaliteitsimpuls, maar concurrerende sectoren hebben behoefte aan een hogere kennisintensiteit.

Empirisch echter, zien we het eerder het omgekeerde. In de grafiek is aangegeven wat het aandeel is van de hoogopgeleiden in de totale werkgelegenheid in een sector, in 1996 en in 2006. Voor de economie als geheel geldt dus een toename van 25 tot 32 procent in het aandeel hoger opgeleiden. Alle (aan concurrentie blootstaande) marktsectoren blijven ruimschoots onder het gemiddelde aandeel van 32 procent; alle (afgeschermde) publieke sectoren zitten er ruimschoots boven. Ter verdediging van de ‘kenniseconomie-hypothese’ is hooguit aan te voeren dat de afgelopen tien jaar het aandeel hoger opgeleiden in de marktsectoren sneller is gestegen dan in de publieke sectoren. Heel overtuigend is dit niet, vooral omdat verdere groei in bijvoorbeeld het onderwijs (80 procent van de werknemers hoger opgeleid) praktisch onmogelijk lijkt.
De opleidingsparadox. Hoe hoger de opleiding, des te hoger de (groei van de) arbeidsproductiviteit, dat is de impliciete aanname achter verhalen over de kenniseconomie. De hoger opgeleiden snappen nieuwe technologie sneller en beter waardoor ze per gewerkt uur meer waarde kunnen toevoegen, is de gedachte.

Maar alweer geldt empirisch praktisch het omgekeerde. De hoogste productiviteitsgroei wordt geboekt in de landbouw en nijverheid, sectoren met de laagste aandelen hoger opgeleiden. De laagste productiviteitsgroei (negatief namelijk) wordt geboekt in het onderwijs, de sector met het hoogste aandeel hbo’ers en doctorandussen.

Dit punt kan ook historisch worden gemaakt: sinds de jaren zeventig daalt de groei van de productiviteit in Nederland trendmatig. Het niveau van de productiviteit is (internationaal vergeleken) weliswaar hoog, maar de groei zakt jaar na jaar in. En inderdaad, gedurende die periode van het inzakken van de productiviteit is het aandeel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking juist spectaculair gestegen tot de huidige 32 procent.

Ik zou niet direct willen pleiten voor het sluiten van universiteiten en hogescholen, maar omgekeerd is het in het licht van deze feiten ook opmerkelijk dat de beleidsmakende goegemeente zo makkelijk concludeert dat Nederland baat heeft bij een steeds hoger percentage hoger opgeleiden. De feiten wijzen immers uit dat de hoger opgeleiden zich verschuilen in afgeschermde sectoren van de economie, waar ze het ongetwijfeld wel gezellig hebben, maar er intussen met elkaar niet in slagen productiever te worden.

De opdracht tot verklaring van de bestemmings- en opleidingsparadox lijkt me duidelijk en urgent. Dat mogen de ministers van Onderwijs en Economische Zaken zich best aantrekken. Eenmaal doorgedacht, zouden er best verrassende beleidsaanbevelingen uit kunnen komen. Weer hoger opgeleiden uit de rijksdienst en het onderwijs, bijvoorbeeld, tot het percentage zakt tot iets boven het landelijke gemiddelde. Dat zou toch een verrassende beleidswending wezen.