VN MediagidsOmbudsman neemt zzp’ers in bescherming
Economie 20.02.2010

Fraudeurs waren het. Rovers van premiegeld. En ze moesten boeten. De boeven in kwestie waren mensen die met behoud van een deel van hun uitkering een eigen zaakje begonnen, en aan de Belastingdienst een ander aantal gewerkte uren opgaven dan aan uitkeringsinstantie UWV. Het boeten liep uiteen van geldboetes tot strafrechtelijke vervolging.
De Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, deed onderzoek naar deze gang van zaken en concludeerde vorige week in zijn rapport ZZP'ers met een valse start: disproportionele actie van het UWV, vooral omdat de organisatie zelf onduidelijk had voorgelicht. Het is nu aan minister Donner van Sociale Zaken om een oordeel te vellen.
Wat is er aan de hand? In plaats van een baan zoeken, kunnen mensen met een uitkering natuurlijk ook een eigen zaak beginnen. Die goede gedachte had zich rond de eeuwwisseling meester gemaakt van politiek en maatschappij. Tot medio 2006, schrijft Brenninkmeijer, gold hiervoor strikte regelgeving. Een uitkeringsgerechtigde die een eigen zaak begon, moest alle gewerkte uren opgeven aan het UWV, en deze uren werden in mindering gebracht op de uitkering. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen directe uren (besteed aan betaald werk voor klanten) en indirecte uren (voor het administratief opzetten van het bedrijf, strategiebepaling, marketing en acquisitie, productontwikkeling et cetera). Sinds medio 2006 gelden andere regels die ondernemende uitkeringsgerechtigden een keuze bieden hoe ze de tijd besteed aan hun zaakje willen verrekenen met hun uitkering.
- Laten we hopen dat Donner en de Kamer wel kunnen rekenen
Onder de oude regels was het dus eigenlijk alleen voor mensen die direct de nodige omzet konden binnenhalen mogelijk zzp'er te worden. En als het UWV dat nou maar duidelijk had gemaakt, was er niets aan de hand geweest, al zouden er dan veel minder uitkeringsgerechtigden voor ondernemerschap gekozen hebben.
Maar het ondernemerschap sprak aan, en de UWV-medewerkers sloegen enthousiast aan het begeleiden. De communicatie over de op zichzelf heldere regelgeving liet sterk te wensen over, concludeert Brenninkmeijer. 'Er waren meerdere folders in omloop, waarvan een aantal onvolledig.' Een op de drie werkcoaches ging bovendien 'rekkelijk' met de regels om. Zo adviseerden ze de uitkeringsgerechtigden indirecte uren niet op te geven of dat aantal 'uit te smeren over een langere periode'. Achteraf bezien zegt de helft van de betrokken UWV'ers dat 'slechte informatie aan de startende zelfstandigen een van de oorzaken is van de later gebleken grootschalige "fraude"'.
Die 'fraude' kwam aan het licht door koppeling van de bestanden van het UWV aan die van de fiscus. De zelfstandigen hebben namelijk niet alleen met een urentelling bij het UWV te maken, maar ook met een telling van de fiscus. Die stelt: om voor zelfstandigenaftrek in aanmerking te komen, moet de ondernemer minimaal 1235 uur per jaar in zijn zaak werken, aan directe én indirecte uren. En de fiscus is daar wél heel helder over. Dus uit de bestandvergelijking bleek dat in de periode 2004-2006 het 'fraudepercentage' - een verschil tussen de uren opgegeven aan het UWV en aan de fiscus - varieerde van zesentwintig tot veertig procent.
Drieduizend mensen worden aangemerkt als fraudeur. De 'sanctionering die daar op volgde,' schrijft Brenninkmeijer, 'was in veel opzichten in strijd met de behoorlijkheid.' Zijn aanbeveling is daarom: opnieuw en met meer nuance beoordelen, die drieduizend gevallen.
Vooral de cijfers geven Brenninkmeijer gelijk. Fraude komt overal voor, maar het 'gewone' fraudepercentage bij fiscus, volks- en werknemersverzekeringen is heel laag, maximaal enkele procenten. Het is daarom domweg niet aannemelijk dat in deze groep ondernemende uitkeringsgerechtigden de geneigdheid tot fraude in de tientallen procenten loopt. Het UWV houdt vol juist gehandeld te hebben. Laten we hopen dat Donner en de Kamer wel kunnen rekenen en rechtvaardiger zijn.
