VN MediagidsMet dank aan buiten
Economie 06.12.2008
De wereld staat er gekleurd op, dezer dagen. Hadden we hier een welvarende stadsstaat in de Europese Rijn- en Maasdelta, breken er plotseling overal ter wereld plagen uit die die welvaart bedreigen.
De kredietcrisis: van Amerikaanse makelij. De energiecrisis: (ook) gevolg van de snelle groei in China, India, Brazilië en Rusland. Veiligheidscrisis: extremisten uit allerlei landen hitsen elkaar op, en trekken zich van onze traditionele tolerantie niets aan. Nee, uit de wereld lijkt weinig goeds te komen dezer dagen, en dat kan dan weer leiden tot versterking van het nationalistische sentiment dat in de welvaartsdelta toch al zo in opmars was de afgelopen jaren.
Het buitenland, echter, brengt Nederland ook voordelen – ruimschoots meer dan nadelen als u het mij vraagt, maar dat saldo is nu het punt niet. Het punt is een voorbeeld. Het voorbeeld is vooral zo aardig omdat het een buitenlandvoordeel voor Nederland is dat met het blote oog niet kan worden waargenomen. Je hebt er getallen voor nodig, en die heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek voor ons op een rij gezet.
Wat zien we in de twee grafieken? De punten zijn allerlei onderdelen (bedrijfsklassen) van de Nederlandse industrie. Op de horizontale as staat in beide grafieken in welke mate de betrokken bedrijfsklassen te maken hebben met concurrerende import. De machine-industrie – dat zijn dus bedrijven die machines maken voor andere bedrijven – ziet van elke honderd orders van Nederlandse bedrijven er ongeveer zestig naar buitenlandse aanbieders gaan. Daarmee zit de machine-industrie zo’n beetje op het gemiddelde, terwijl de transportmiddelenindustrie (tachtig procent van alle Nederlandse afzet gaat naar buitenlandse firma’s) het meeste te kampen heeft met buitenlandse concurrentie, en de drukkerijen en uitgeverijen (nog geen tien procent van de afzet) weinig tot geen last hebben van buitenlandse aanbieders.
Misschien zegt uw intuïtie: die relatief afgeschermde sectoren zullen dan wel beter zijn. Maar dan is uw intuïtie fout.
Door alle waarnemingen heen (de puntjes) laten zich overtuigend twee lijnen trekken die tot een eenduidige conclusie voeren: hoe meer een bedrijfsklasse is blootgesteld aan buitenlandse concurrentie, des te hoger is in die bedrijfsklasse de productiviteitsgroei en des te lager de winstgevendheid. Dus: buitenlandse concurrentie zet aan tot verbetering en innovatie in de productieprocessen (waardoor de productiviteit stijgt) en dwingt bedrijven tegelijkertijd de prijzen laag te houden (waardoor de winstgevendheid laag is). Onze stadsstaat profiteert dus volop van internationale concurrentie.
Hoeveel? En kan het hoger? Die vragen zijn niet zo makkelijk in één getal uit te drukken, maar de verschillen tussen de sectoren zijn aanzienlijk. Reken even mee. Het verschil in productiviteitsgroei tussen de minst-innoverende en meest-innoverende bedrijfsklasse is ongeveer een procentpunt. Als alle bedrijfsklassen, opgejaagd door internationale concurrenten, net zo goed zouden presteren als de meest-innoverende, stijgt de productiviteit gemiddeld met een half procent. Als dat in de hele economie zou lukken, praten we over drie miljard euro extra inkomen.
Het verschil in winstgevendheid tussen internationaal beconcurreerde en nauwelijks beconcurreerde bedrijfsklassen is makkelijk acht procentpunt. Een herverdeling van aandeelhouders (die nu de winst krijgen) naar consumenten (die lagere prijzen zouden ontvangen) van pakweg vier procent, loopt ook in de miljarden euro’s. Als nu tien procent van het nationaal inkomen (echte) winst is, gaat dat om zestig miljard. Vier procent daarvan is 2,4 miljard euro.
Al die buitenlandse ondernemingen die het de Nederlandse industrie moeilijk maken, hebben de afgelopen decennia de Nederlandse stadsstaat dus veel welvaart bezorgd. En er is nog volop ruimte voor verdere verbetering, zoals het ruige rekensommetje laat zien. Als we ons maar open blijven stellen voor het buitenland.
Veel internationale ellende is zeer zichtbaar; veel baten zijn met het blote oog niet waarneembaar maar daarom nog niet minder echt.
