VN MediagidsMade in Holland versus de wederuitvoer
Economie 09.06.2007
Een stel Chinezen schroeft een berg computers in elkaar, schuift ze in een container en zet die op de trein naar Hongkong. Daar wordt de container op een boot geladen richting Rotterdam.
In 010 wordt de container door de stoere mannen van ECT op een binnenvaartschip overgezet, of op zo’n duwbakkenconstructie, om over de Rijn naar Duitsland te worden vervoerd, alwaar de container wordt uitgeladen en uitgepakt. De computers vinden, van de juiste stickers voorzien, via de detailhandel hun weg naar de Duitse consument.
Wat is hier nu eigenlijk gebeurd?
We vinden het al zo gewoon – internationale handel natuurlijk, globalisering weet je wel, lage lonen en zo – dat we er nauwelijks meer over nadenken. En toch heeft een trio dwarskoppen van het Centraal Planbureau (Mellens, Noordman en Verbruggen) hierover nieuwe dingen ontdekt, waarover ze verslag doen in een recent CPB-document (no. 143). En die nieuwe dingen gaan effect hebben op wereldschaal.
De kernwoorden zijn ‘wederuitvoer’ en ‘dubbeltelling’. Wederuitvoer wil zeggen: er komt iets het land binnen, zoals een container vol computers, en deze import wordt zonder veel plichtplegingen het land weer uitgezet en dus geëxporteerd – beter gezegd weder geëxporteerd. In het bovenstaande voorbeeld gebeurt dat twee keer: eerst in Hongkong, dan in Rotterdam. China is de ‘eigenlijke’ exporteur en Duitsland de eigenlijke ‘importeur’.
Maar als de internationale statistiekenmakers de ‘groei van de wereldhandel’ gaan bepalen – die zo toeneemt, wat een van de tekenen is van de globaliserende wereld – , doen ze eigenlijk net of ze gek zijn. Ze tellen, op grond van die ene container, toenemende exporten in China, Hongkong én Nederland, en toenemende importen in Hongkong, Nederland én Duitsland. Dat telt lekker aan, en dat komt dus in elk geval voor een deel ook door dubbeltellingen, in dit voorbeeld zelfs driedubbeltellingen.
Dat dat zo was, dat wisten die internationale statistiekenmakers natuurlijk wel. Maar, was de gedachte, als de omvang van de wederuitvoer relatief beperkt blijft, en ook nog een beetje constant in de tijd, dan valt het wel mee met de schade die hierdoor ontstaat aan de statistiek. Maar daarin vergissen ze zich, maakt het CPB-trio aannemelijk.
Het is ook geen toeval dat dat juist in een land als Nederland wordt onderzocht. Door Schiphol en vooral de Rotterdamse haven is wederuitvoer al decennialang een gegeven. Maar in tegenstelling tot de vrome hoop van de internationale dataverzamelaars blijft het verstorende effect van de dubbeltellingen niet beperkt tot overslagnatie Nederland.
Met slagen om de arm vanwege ontbrekende data, onduidelijke definities en meer van dat soort onderzoekersvoorzichtigheid, maken de CPB’ers aannemelijk dat het Nederlandse patroon – een veel sterkere groei van de wederuitvoer dan van de spullen die ‘made in Holland’ zijn – ook geldt voor andere landen. Duitsland bijvoorbeeld, als het om Europa gaat. Hongkong, waar meer dan negentig procent van de uitvoer goedbeschouwd wederuitvoer is (vooral uit China) als het om Azië gaat. ‘Made in Hongkong’ is vervangen door ‘shipped in Hongkong’, schrijven de onderzoekers. Singapore lijkt op Nederland, in de zin dat zo’n beetje de helft van de uitvoer wederuitvoer is, en dat de wederuitvoer sneller groeit dan de ‘echte export’ van in het exporterende land gefabriceerde spullen.
Een eerste harde conclusies is dus dat de internationale handel minder snel groeit dan we denken. Het ‘opblaaseffect’ als gevolg van wederuitvoer, berekenen de onderzoekers, is tenminste acht procent en maximaal een vijfde van de gerapporteerde toename van het wereldhandelsvolume. Dat is vrij spectaculair.
Een tweede harde conclusie is dat het achteruithollen van de Nederlandse exportprestaties – Made in Holland, dus binnen de landsgrenzen geproduceerde spullen – al een tijdje stevig wordt overschat. Omdat de (echte) groei van de wereldhandel wordt overdreven als gevolg van de dubbeltellingen, lijkt Nederland sneller marktaandeel in de wereldhandel te verliezen dan eigenlijk het geval is. In plaats van een marktaandeelverlies van 2,5 procent per jaar in het afgelopen decennium, komt het CPB-trio nu uit op minder dan een procent per jaar. Dat is zeer spectaculair.
Uitvoerprestaties van een land zeggen dus steeds minder over de buitenlandse marktprestaties van de ondernemingen die in dat land gevestigd zijn. Nederland is op het eerste gezicht een exportnatie van formaat, totdat we ons realiseren dat de wederuitvoer – die per euro export maar een piepklein beetje toegevoegde waarde oplevert – veel sneller groeit dan de ‘echte export’ – die per euro wél veel toegevoegde waarde genereert. Maar als die wederuitvoer dan weer wordt ontdaan van dubbeltellingen, blijkt het afkalven van het wereldaandeel van de ‘echte Nederlandse export’ toch weer reuze mee te vallen. En om het helemaal lastig te maken: het (voor dubbeltellingen gecorrigeerde) marktaandeel van de echte export valt weliswaar terug, maar de export groeit intussen gestaag door (zie grafiek).
Tot welke conclusie dit voert? De CPB’ers pleiten uiteraard voor meer onderzoek, vooral gericht op het verzamelen van betere data. Dat gaat zeker gebeuren, in internationaal verband. Voor globaliseringsgelovigen luidt de conclusie: blijf op de feiten letten. Voor Nederlandse exporteurs is het domweg een opsteker. En voor alle zwartkijkers die menen dat Nederland ‘nooit kan concurreren’ met lagelonenlanden is het een gevoelig tikje op de wang.
