VN MediagidsLoon naar praten
Economie / Miljoenennota 20.09.2008
Op en in de aanloop naar Prinsjesdag is vol vuur en passie over de inkomensverdeling gesproken. Medio zomer was de stand: van iedere Nederlander daalt in 2008 de koopkracht. Na wat ingrepen van het kabinet in de besprekingen over de Miljoenennota heette het: iedere Nederlander gaat er op vooruit.
En nu de kogel door de kerk is, blijkt: gemiddeld bij de diverse groepen geen koopkrachtdaling, maar binnen de groepen zijn er individuen waarvoor de teller best eens in het rood kan staan. De linkse oppositie spreekt er schande van.
Het treft dat, aan de vooravond van Prinsjesdag, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn licht heeft laten schijnen over de ontwikkeling van de inkomensgelijkheid in Nederland. Niet de hype van de dag, maar de feiten over de wat langere termijn staan vermeld in De Nederlandse economie in 2007, gratis van de website van het CBS te downloaden. De feiten zijn schokkend, althans voor mensen die denken dat de inkomensongelijkheid in Nederland de afgelopen jaren sterk is toegenomen. Dat is namelijk niet het geval.
Volgens het CBS dateert de laatste toename van de inkomensongelijkheid uit de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw. De ‘no nonsense’-kabinetten onder leiding van CDA-premier Ruud Lubbers, geconfronteerd met een diepe crisis in de Nederlandse economie, saneerden de verzorgingsstaat en de publieke sector. Daarbij werden uitkeringen verlaagd (van tachtig procent naar zeventig procent van het laatst verdiende loon), en ook het toptarief in de inkomstenbelasting (tweeënzeventig procent destijds) maakte een duikeling. Logischerwijs nam de inkomensongelijkheid wat toe. ‘Na die tijd,’ schrijft het CBS, ‘zijn de inkomensverschillen nauwelijks meer vergroot.’
Binnen Europa neemt Nederland hierdoor een toppositie in bij de egalitaire landen (zie ook de grafiek). De maatstaf die het CBS hiervoor gebruikt, is de gebruikelijke Gini-coëfficiënt (bedacht door de Italiaanse statisticus Corrado Gini). Als in een land iedereen hetzelfde inkomen heeft, is de Gini-coëfficiënt nul; krijgt één persoon al het inkomen dan is de uitkomst één. De coëfficiënt heeft daarom een waarde tussen nul en één. Midden jaren tachtig was de Gini-coëfficiënt in Nederland 0,24, liep toen snel op naar 0,26 en is sindsdien stabiel (behoudens een niveausprongetje naar 0,27 in 2000 als gevolg van een revisie van de inkomensstatistiek door het CBS). Binnen Europa zijn alleen de inkomens in Zweden, Denemarken en Oostenrijk iets gelijker verdeeld dan in Nederland, terwijl het verschil met de ongelijke verdelers (Portugal en Groot-Brittannië voorop) enorm is.
De eerste, makkelijke, conclusie is dat het populistische gedoe over de inkomensverdeling wel een onsje minder mag. Nederland is, conform de voorkeuren van de bevolking, een nogal egalitair land. Het komt me voor dat de energie van politici beter besteed is aan het optillen van de onderkant van de inkomensverdeling dan aan het verzinnen van symboolpolitieke maatregelen ter bestrijding van die paar uitschieters aan de bovenkant.
Lastiger is het de functie van koopkrachtplaatjes te duiden. Voorop gesteld: dat zijn in de wereld unieke en tamelijk idiote dingen. Ze komen alleen ‘uit’ als er in het leven van de betrokkenen niets verandert – geen promotie, geen nieuwe baan, geen verandering van de huishoudsamenstelling, geen verhuizing, et cetera. Ze geven dus alleen bij uitzondering een accurate voorspelling van de werkelijke koopkrachtontwikkeling. Het is, vanuit dit perspectief, lastig om de opwinding over koopkrachtplaatjes serieus te nemen.
De andere kant zou kunnen zijn: het rituele gesprek over dat malle instrument legt elk jaar de nadruk op inkomensgelijkheid. Dat ritueel zou ons best eens geholpen kunnen hebben Nederland egalitair te houden terwijl arm en rijk in Portugal, Ierland en Groot-Brittannië steeds verder uit elkaar drijven. Het motto is dan: liever een goed debat op basis van een slecht instrument dan helemaal geen debat.
