VN MediagidsInternationaliseringsfeest

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 11.08.2007

Door Frank Kalshoven

Misschien dat de huidige turbulentie op de financiële markten het tempo de komende tijd wat omlaag zal brengen, maar de verkoop van Nederlandse ondernemingen aan buitenlandse eigenaren is in de afgelopen tien jaar spectaculair snel gegaan.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceerde onlangs spectaculaire cijfers – die door de Nederlandse journalistiek dan weer werden genegeerd.

Eerst de feiten. Het CBS deelt de particuliere sector van de economie (onder meer) in in financiële ondernemingen en niet-financiële ondernemingen. In die laatste categorie zit dan het hele economische soepie: van landbouw tot commerciële dienstverlening, van industrie tot nutsbedrijven. Met de productie van 283 miljard euro aan toegevoegde waarde in 2005 zijn deze niet-financiële ondernemingen goed voor praktisch de helft van de Nederlandse economie. Deze groep ondernemingen nu, gaat in straf tempo over in buitenlandse handen, dat wil zeggen: buitenlandse particulieren of bedrijven verwerven er meer dan vijftig procent van de zeggenschap.

Ze bepalen, binnen de Nederlandse wet- en regelgeving, wat er met de onderneming gebeurt.
Van de toegevoegde waarde in die niet-financiële sector werd in 1996 negentien procent geproduceerd door ondernemingen waarin buitenlanders de zeggenschap hadden. Dat aandeel is tot 2005 gegroeid tot vijfentwintig procent. In euro’s: van vierendertig miljard euro toegevoegde waarde in 1996 tot eenenzeventig miljard euro in 2005, een ruime verdubbeling.

In bepaalde sectoren gaat het extra snel. De Nederlandse industrie was al koploper in 1996 met achtentwintig procent aan buitenlandse eigenaren, en dat aandeel is inmiddels gegroeid tot boven de veertig procent. De sector energie was tien jaar geleden nog een geheel Nederlandse aangelegenheid; nu kruipt het aandeel buitenlandse eigenaren al richting tien procent. In het vervoer, de opslag en de communicatie steeg het aandeel van pakweg vijf procent in 1996 tot zo’n beetje vijfentwintig procent nu.

Het verhaal dat hierbij hoort is dat van de internationalisering van de economie. Dit patroon zie je overal. Nederlandse ondernemingen, bijvoorbeeld, doen in buitenlanden precies hetzelfde. Het CBS geeft daarover alleen indicatieve gegevens, maar die mogen er dan ook zijn: de balanswaarde van de buitenlandse dochterbedrijven van Nederlandse ondernemingen is de afgelopen tien jaar met meer dan veertig procent toegenomen. De hiermee behaalde winst steeg bijna met een factor vier, van 7,7 miljard euro in 1996 naar 26,7 miljard euro in 2005.

Buitenlanders kopen delen van de Nederlandse economie op; Nederlandse bedrijven kopen op hun beurt buitenlandse ondernemingen op. In dat grote verhaal over de wereldeconomie gaat het dan over toenemende integratie, concurrentie en specialisatie tot nut van het algemeen en de aandeelhouder (waaronder de deelnemers aan pensioenfondsen) in het bijzonder.

Dat gekoop over de grens is een vaardigheid die geleerd moet worden tegen hoge kosten. Overnemende bedrijven betalen dikwijls te veel voor hun (buitenlandse) prooien. Toen de internationale expansie van het Nederlandse bedrijfsleven in de jaren negentig goed op gang kwam, is menig kat in de zak gekocht. Uit de statistieken bleek dat er miljarden de grens over gingen voor de aanschaf van de buitenlandse bedrijven, maar dat er verrassend weinig winst­inkomen terugstroomde naar Nederland. Het Centraal Planbureau sprak destijds over een ‘zwart gat’ waar de miljarden in verdwenen. Getuige de bovengenoemde winstcijfers van buitenlandse dochters hebben de Nederlandse internationals hun lessen inmiddels geleerd.

Dit impliceert dat landen, zoals Nederland, die steeds meer bedrijven aan buitenlanders verkopen, tijdelijk een heel aardig voordeeltje binnenslepen: de verkochte bedrijven worden (te) duur betaald. De les die hier bij hoort is: verkoop nationale ondernemingen liefst aan bedrijven uit landen met weinig ervaring in internationaal zakendoen.

Nog even – in het huidige groeitempo ruim binnen de tien jaar ­– en de helft van de ‘Nederlandse’ industrie is in buitenlandse handen. Zou het niet aardig zijn om bij die gelegenheid een groot internationaliseringsfeest te geven?