VN MediagidsHet scholingsdividend is (nog niet) op
Economie / Onderwijs / arbeidsmarkt 29.04.2006
Het vredesdividend werd uitgekeerd na de val van de Berlijnse Muur in 1989.
Voordien bevonden de defensieuitgaven zich op een hoog niveau – Nederland wapende zich met de Navo-bondgenoten tegen de Sovjets en hun Oost-Europese vazalstaten. Toen het ernaar uitzag dat de Russen toch niet zouden komen – althans niet op oorlogspad – konden de militaire uitgaven fors omlaag. De uitgavendaling kreeg de fraaie naam ‘vredesdividend’.
Op de arbeidsmarkt heeft zich de afgelopen decennia een soortgelijke ontwikkeling voorgedaan: een omslag in het scholingsniveau van de beroepsbevolking. De vruchten die we hiervan plukken, worden daarom wel het ‘scholingsdividend’ genoemd.
Het vervelende is: het dividend is op.
In een recente publicatie in het webmagazine van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Hogere opleiding, hogere arbeidsparticipatie, wordt nog weer eens duidelijk hoe hoog dat scholingsdividend wel niet is. In de grafiek is zichtbaar hoe hoog de arbeidsparticipatie is bij diverse (hoogste) opleidingsniveaus. Van de Nederlanders met een hbo-diploma en bul werkt een kleine negentig procent, maar van degenen met basisonderwijs als hoogste opleiding werkt nog niet de helft. Tussenliggende scholingsniveaus scoren tussenliggende participatiecijfers. De regel is dus: hoe hoger opgeleid, des te hoger de arbeidsparticipatie.
Het aandeel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking is sinds eind jaren zestig spectaculair gestegen: het directe gevolg van het democratiseren van het hoger onderwijs. In 2005 was een op de drie leden van de beroepsbevolking hoger opgeleid.
Niet alleen werken er meer hoger opgeleiden, ook hun loon is hoger, omdat ze productiever zijn dan laaggeschoolden – wat iets anders is dan harder werkend. Voor de economie als geheel betekent dit dat de groei van de welvaart in de afgelopen decennia voor een belangrijk deel op het conto van het gestegen opleidingsniveau van de bevolking moet worden geschreven. Iets anders geformuleerd: de kwaliteit van de beroepsbevolking nam toe, met economische groei als gevolg. Deze welvaartsstijging is het scholingsdividend.
Is het voorstelbaar dat de komende dertig jaar nog eens drieëndertig procent van de beroepsbevolking een hogere opleiding met succes zal afsluiten, zodat niet een op de drie maar twee op de drie leden van de beroepsbevolking hoog zullen zijn opgeleid? De vraag stellen is hem beantwoorden: dat kan niet.
Of: dat kan alleen als de eisen voor het verkrijgen van diploma’s worden verlaagd.
Dit antwoord impliceert dat Nederland het de komende decennia zonder of met een lager scholingsdividend moet zien te rooien. Er is nog wel wat rek, vooral omdat oudere cohorten met lagere scholing pensioneren en jonge cohorten met hogere scholing instromen, maar de verhoging van de initiële opleiding als bron van welvaartsgroei droogt op.
Scholingsdividend zal daarom de komende decennia juist aan de onderkant van de scholingspiramide moeten worden verzameld. Bijna de helft van de Nederlandse werknemers heeft een opleiding op havo-, vwo- of mbo-niveau, met een behoorlijke participatie van bijna tachtig procent. Het participatiegat met mensen met alleen een vmbo-diploma is zo’n vijftien procent, dat met mensen met alleen basisonderwijs zelfs dik dertig procent. Als het zou lukken de laaggeschoolden één stap omhoog te krijgen op de onderwijsladder, daalt het scholingsdividend weer als manna uit de hemel.
Hoe? Het is enigszins in de mode om te pleiten voor een verhoging van de leerplichtleeftijd. Dat is: kinderen die niet naar school willen, dwingen om naar school te gaan. Dat lijkt me vooral vragen om extra problemen.
Slimmer lijkt het om kinderen die willen werken, lekker te laten werken, maar hen, bij voorkeur voor hun vijfentwintigste, terug te lokken naar school om alsnog een hoger diploma te halen. Daarin kun je als maatschappij, zowel uit oogpunt van rechtvaardigheid als efficiëntie, indrukwekkend veel investeren. Rechtvaardigheid: een gemiddelde student kost 14.000 euro per jaar aan publiek geld; een bul kost dus al snel 75.000 euro; wie niet studeert, krijgt nu niets. Efficiëntie: het ophogen van het scholingsniveau doet wonderen voor de arbeidsparticipatie, en dus voor de economische groei, het vullen van de schatkist met belastinggeld en het vermijden van uitgaven aan sociale zekerheid.
Het scholingsdividend aan de bovenkant van de onderwijspiramide mag de komende jaren dan afnemen, aan de onderkant is nog een wereld te winnen.
Investeren in scholing – ook tweedekansscholing – is veel aantrekkelijker dan het verstrekken van uitkeringen.
