VN MediagidsHet kabinet-Rutte doet iets nuttigs op de huurmarkt
Economie / huizenmarkt 19.10.2010

Dat het allemaal heel erg is met dat nieuwe kabinet weten we nu wel. Voorlopig is het desondanks ons kabinet - ook dat van VN-lezers - en is het zaak af te dalen in de diepten van het regeerakkoord om daar voornemens op te diepen die, nuchter beoordeeld, het uitvoeren waard zijn. Dat zijn er best veel. Lees even mee over de woningmarkt.
Het kabinet mag dan niet morrelen aan de hypotheekrenteaftrek - ja, een gemiste kans - het zet wel een paar forse stappen in de sociale huursector. Deze sector is groot, zo'n vier op de tien huizen, en dat is ook internationaal een zeer stevig aandeel. Waarom zouden in een rijk land als Nederland vier op de tien huishoudens gesubsidieerd moeten huren - publiek gesubsidieerd via de overheid of privaat via de woningbouwcorporaties? Het hoofdantwoord is natuurlijk omdat de kopers van huizen ook gesubsidieerd worden - we liggen allemaal aan het infuus. Maar als we het hervormen van de hypotheekrenteaftrek even overlaten aan een volgend kabinet, kunnen we de huurkwestie ook op de eigen merites bekijken.
In het regeerakkoord schrijven Mark Rutte en Maxime Verhagen dat de sociale huursector wordt 'toegespitst op degenen die geen alternatieven hebben'. De sector moet kleiner worden, opdat koop en commerciële verhuur een groter marktaandeel verwerven. Hiertoe doen zij een paar eenvoudige voorstellen.
Ten eerste: huurders via corporaties krijgen een kooprecht op hun eigen woning en wel 'tegen een redelijke prijs'. Als dit goed wordt uitgevoerd - zodat die redelijke prijs niet uitnodigt tot doorverpatsen met speculatiewinst - kan dit vele voordelen hebben. Het marktaandeel van corporaties daalt. Binnen wijken, en zelfs binnen complexen, ontstaat een mix van koop en huur. Huurders kunnen eigenaar worden zonder te hoeven verhuizen. Corporaties kunnen de opbrengsten gebruiken voor de bouw van commerciële huurwoningen - een marktsegment dat in Nederland veel te klein is.
Ten tweede: Rutte en Verhagen willen huurverhogingen differentiëren naar inkomen. Wie minder dan 43.000 euro per jaar verdient, krijgt een huurstijging die gelijk is aan de inflatie. Maar wie een hoger inkomen verzamelt, kan rekenen op een jaarlijkse huurstijging gelijk aan de inflatie plus 5 procent. Dit is zowel economisch als politiek interessant. Economisch: voor de inkomensgroep boven de 43.000 euro komt de prijs van de huurwoning steeds dichter bij de marktprijs te liggen. Deze 'scheefhuurders' gaan dus minder scheef huren, maar hebben - door het recht op koop - ook een alternatief. Politiek: het rechtse kabinet beperkt de huurstijging voor de onderkant van de inkomensverdeling, en laat de HWN'ers, de Hard Werkende Nederlanders, extra betalen voor hun woongenot.
Ten derde: Rutte en Verhagen hebben het voornemen de toewijzing van sociale huurwoningen 'stapsgewijs te beperken tot lage inkomensgroepen'. Tot voor kort keken woningbouwcorporaties helemaal niet naar het inkomen van nieuwe huurders. De gedachte hierachter: het is goed voor de heterogeniteit van de buurt als er in de sociale woningbouw ook mensen wonen met een wat hoger inkomen. Dat kan wezen, maar waarom mensen daarvoor gesubsidieerd moeten worden, is niet zo duidelijk. Het stellen van in de loop der tijd strakker wordende inkomenseisen aan nieuwe huurders voorkomt deze nodeloze subsidiëring.
Kortom: de huurmarkt wordt er beter van; huurders met een wat hoger inkomen krijgen de kans hun woning te kopen; de sector, die wel erg groot is, wordt kleiner gemaakt; er vallen middelen vrij om te investeren in de commerciële huurmarkt; en de mensen met de laagste inkomens worden ontzien bij huurverhogingen. En dat met een paar eenvoudige maatregelen. Dat kan een kabinet een stuk beroerder doen. Welke kleur het ook heeft.
