VN MediagidsHet kabinet introduceert iets leuks: een sociaal leenstelsel
Economie 01.11.2010

In plaats van uitrollen richting pensioen na de vijfenvijftigste verjaardag, is het toekomstbeeld: er nog een jaar of tien tot vijftien stevig tegenaan gaan. Het is een logica die gedicteerd wordt door demografie, economie en welbevinden. Bij deze ontwikkeling hoort - als rode wijn bij gestoofd wild - dat we ons in de loop van ons werkzame leven af en toe eens bijscholen, soms zelfs omscholen. En de vragen die hierbij horen zijn: wie gaat ons, de volwassenen, scholen? En: hoe stimuleren we de vraag?
De situatie in het aanbod is nu diffuus. Aan de ene kant is er een breed scala aan commerciële aanbieders. Zo leert uw dienaar dezer dagen de beginselen van het Spaans bij Molinos de Viento (Spaans voor windmolens), een particuliere instelling waar uitstekend wordt gedoceerd en opgeleid conform Europese referentieniveaus. De prijs is laag. In het klasje wordt de statistiek nog eens bevestigd: het zijn vooral jonge en hoogopgeleide mensen die ook nog even een cursus meepakken. Daarnaast is er een (nu nog) ruim publiek aanbod, variërend van academische opleidingen bij bijvoorbeeld de Open Universiteit tot inburgeringscursussen, die worden verzorgd door regionale opleidingscentra, ROC's. Sommige publieke aanbieders bieden ook op commerciële leest geschoeide opleidingen aan, waarvan peperdure postdoctorale opleidingen (tot wel twintigduizend euro per jaar voor een deeltijdcursus) de bovenkant van de markt vormen.
Het nieuwe kabinet heeft een paar beleidswijzigingen aangekondigd die de speelruimte voor publieke instellingen beteugelen. Vooral de ROC's gaan hier veel van merken. Ten eerste wil het kabinet ophouden met de publieke bekostiging van ROC-studenten die ouder zijn dan dertig jaar. Ten tweede trekt de ploeg van Rutte de stekker uit de publiek bekostigde inburgeringscursussen. Inburgeraars moeten slagen voor een (landelijk) examen, maar hoe ze aan de benodigde kennis komen, zoeken ze zelf maar uit. Het kabinet kiest dus de richting: laat het aanbod op het postinitiële onderwijs maar over aan de markt. Hier is ten principale veel voor te zeggen, omdat niet zo makkelijk is aan te wijzen waar deze markt - als het om het aanbod gaat - zou falen. En: geen marktfalen, geen overheidsingrijpen.
- Wie gaat ons, de volwassenen, scholen?
Het probleem - onderinvesteringen in kennis, kunde en vaardigheden, vooral door ouderen, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt - doet zich voor aan de vraagkant. En voor dit probleem introduceert het kabinet iets wat in Nederland nog niet bestaat, iets leuks: een sociaal leenstelsel.
In het regeerakkoord is het sociaal leenstelsel beperkt tot inburgeringscursussen. De inburgeraars, die in de toekomst dus zelf het opleidingsinstituut van hun gading mogen uitzoeken, moeten zelf de rekening gaan betalen. Wie hiervoor geen geld heeft, kan lenen bij de overheid. De voorwaarden zijn schappelijk, zowel de rente die in rekening wordt gebracht als de plichten rond terugbetaling van de geleende som.
Het idee van een sociaal leenstelsel heeft uiteraard veel bredere toepassingsmogelijkheden. We kennen het vooral uit (discussies over) het hoger onderwijs, een terrein waarop de VVD-CDA-combinatie het leenstelsel niet heeft durven toepassen. Maar een leenstelsel kan natuurlijk ook geïntroduceerd worden voor dertigplussers in het middelbaar beroepsonderwijs. En het kan nog breder. Op het gevaar af een beetje door te draven: bij gebleken succes bij de inburgeraars kun je zomaar verzinnen dat Nederland een sociaal leenstelsel invoert voor al het hoger en postinitieel onderwijs. Publieke instellingen mogen aanbieden tegen minimaal de integrale kostprijs; private instellingen kunnen vragen wat ze willen. Studenten (van achttien tot achtentachtig) kunnen desgewenst lenen wat ze nodig hebben om opgewekt en goed toegerust tot hun zevenenzestigste te blijven werken.
En als dit er nog eens van komt, kunnen we zeggen: ook hiervoor is Nederland zijn immigranten dank verschuldigd.
