VN MediagidsHet kabinet houdt dossier-woningmarkt niet droog
Economie 27.10.2007
Een denkverbod, zo is de passage in het coalitieakkoord tussen CDA, PvdA en ChristenUnie over wonen wel omschreven.
Die partijen bleken niet bij machte op dit onderwerp tot overeenstemming te komen, en kondigden in plaats daarvan de oekaze af dat tijdens deze kabinetsperiode geen studies zouden worden gedaan naar het onderwerp. Inmiddels moet de conclusie luiden: dat houden ze niet droog, de mannen en vrouwen van Balkenende IV. Het denkverbod leidt juist tot grote hersenactiviteit.
Vorige week informeerde ik u al over het denkwerk van Frank Bijdendijk, corporatiedirecteur van Het Oosten, in zijn essay Wonen zonder staatssteun (gratis te bestellen via 020-5885885). Die VN was nog niet uit of de VROM-raad publiceerde Tijd voor keuzes, perspectief op een woningmarkt in balans. In het begeleidende schrijven wijst voorzitter Meijdam minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie er fijntjes op dat haar beleid voor de veertig probleemwijken weliswaar urgent en nodig is, maar dat ‘het goed functioneren van de stedelijke en regionale woningmarkt een essentiële voorwaarde is voor de wijkaanpak’. En die woningmarkt functioneert allesbehalve goed, om niet te zeggen slecht. Aan een ‘essentiële voorwaarde’ voor succes van haar beleid is dus niet voldaan.
De VROM-raad doet in het rapport precies wat het kabinet verboden had: breed verkennen wat de problemen zijn op de woningmarkt, het bestaande overheidsinstrumentarium tegen het licht houden, vaststellen dat het een onzinnige constructie is die de problemen wel erger maakt maar niet helpt oplossen, en voorstellen doen voor een alternatief systeem waarin de overheid een rol krijgt toegedacht die wel past in deze eeuw.
Daarbij valt op dat er (buiten het kabinet) consensus ontstaat over de problemen op de woningmarkt en over de (kwalijke) rol die het bestaande overheidsinstrumentarium daarin speelt. De VROM-raad typeert het functioneren van de woningmarkt als ‘niet best’ en illustreert dat met de vaststelling dat ‘de sterke toename van de woningvraag in de jaren negentig niet leidde tot verruiming van het aanbod, maar tot stijgende koopprijzen. De stijgende vraag ging zelfs gepaard met een daling van de nieuwbouwproductie’ (zie de onderste grafiek). Veel gekker kan het op een markt niet worden. Door de ‘gebrekkige afstemming tussen vraag en aanbod is het woningtekort opgelopen, zijn de koopprijzen sterk gestegen, is de scheiding op de markt tussen (dure) koop en (goedkope) huur versterkt en stagneert de doorstroming’.
Voor consumenten, vat de raad lekker samen, heeft een en ander ‘bepaald vervelende consequenties’. ‘De consument moet voor een koopwoning een hoge prijs betalen en loopt financiële risico’s. Voor een huurwoning staat hij vaak lang in de rij en switchen van huur naar koop, van koop naar huur of doorstromen binnen deze sectoren is vaak een brug te ver. De in beleidsnota’s zo veel geroemde keuzevrijheid is in de praktijk ver te zoeken.’ Deze opsomming van problemen komen we – in andere bewoordingen – ook tegen in rapporten en geschriften van andere mensen die het denkverbod trotseren: de Raad van Economische Adviseurs, SEO Economisch Onderzoek, het Centraal Planbureau, om er een paar te noemen.
Het overheidsbeleid kost wel veel geld (zie de bovenste grafiek), maar maakt de gesignaleerde problemen alleen maar erger. ‘Overheidsingrepen zijn deel van het probleem,’ schrijft de VROM-raad. Met de renteaftrek jaagt ze de prijs op; met het restrictieve bouwbeleid beperkt ze het aanbod, met prijsstijgingen op de koopmarkt als gevolg. Met de huurtoeslag draagt de overheid vooral bij aan lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Resultaat van het overheidsingrijpen is bovendien dat er zinvolle markten ontbreken. ‘Op de woningmarkt zijn globaal gesproken maar twee smaken: relatief dure koopwoningen en relatief goedkope huurwoningen. Een dure huursector en een goedkope koopsector zijn weinig ontwikkeld.’
De VROM-raad schetst de contouren van een alternatief waarin, net als in het denken van Bijdendijk, een andere, meer teruggetrokken rol voor de overheid is weggelegd. De overheid moet vooral het publieke belang waarborgen en een basiskwaliteit van wonen garanderen voor mensen met lage inkomens. En overigens vooral veel meer vrijheid geven en de bestaande instrumenten (huurtoeslag, renteaftrek e.d.) geleidelijk afbouwen.
De kern van het maatschappelijk debat (dat dus mijlenver voorloopt op het denken van het kabinet) is eigenlijk: welke vorm van vraagondersteuning wil je overhouden als de bestaande regelingen zijn afgeschaft? De VROM-raad kiest een wat ander model dan Bijdendijk: een ‘eigendomsneutrale vorm van vraagondersteuning’, waarbij het dus niet uitmaakt of mensen huren of kopen.
Het zou verstandig zijn als het kabinet het coalitieakkoord naast zich neer zou leggen en aansluiting zoekt bij het bestaande maatschappelijk debat.
