VN MediagidsHet Plan-Pen

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 08.07.2006

Door Frank Kalshoven

Voor een man die zo goed kan schilderen, heeft Jan Pen een beroerd handschrift. Post uit Haren (Groningen), woonplaats van de inmiddels vijfentachtigjarige econoom, kan dan ook moeiteloos aan de hand van de enveloppe worden thuisgebracht. Dat Pen-post goed leesbaar is, danken we aan diens zoon Tiesse, die de computer bedient.

Jan Pen heeft een plan. Als ik vijfentachtig jaar ben en door een beroerte de deur niet meer uit kan, wil ik ook zo’n plan (uit te typen door een van mijn dochters). Daar krabbel ik dan ook op ‘van een oude journalist (85) aan een journalist van middelbare leeftijd’. En ik zal niet vergeten toe te voegen: ‘Hoe het komt weet ik niet, maar ik denk dat deze ontboezeming op je instemming mag rekenen.’

Mijn instemming met het Plan-Pen geldt zeker voor het perspectief. Pen begint zijn ‘Brief aan Nederlanders’ zo: ‘Mensen die weten dat ik atheïst ben vragen wel eens: “Waarin geloof jij dan wel?”’ En zijn antwoord is: een betere toekomst. ‘Ik leef het liefst in een prettig, welvarend land. Wat dat betreft hebben we in Nederland weinig te klagen, maar het kon beter.’

Deze combinatie van drie mededelingen is precies naar mijn smaak. Eén: we leven (al) in een fijn land. Twee: we hebben weinig te klagen. Drie: het kan nog beter. Zo schept Pen ruimte om vol goede moed naar de toekomst te kijken in plaats van daar angstig of chagrijnig over te doen.

Het eerste van Pens zes punten (zie kader) sluit aan bij een van de merkwaardigste ontwikkelingen in de economie in de naoorlogse periode. Mensen gebruiken inkomensgroei vooral om hun consumptie te verhogen, niet om (vrije) tijd te kopen. Tegelijkertijd klagen ze graag dat ze het te druk hebben. Waarom de voortdurende stijging van de productiviteit dan niet gebruiken voor wat meer comfort – niet in geld, maar in tijd?

Pen is verstandiger. ‘Langer naar school,’ schrijft hij. ‘Meer vakanties, flexibele werktijden in de week, en aan het einde van de werkzame periode: een vrije keus in pensioneringsleeftijd.’ Merkwaardig genoeg koppelt hij dit idee 1 niet aan idee 5: dat de belastingen progressiever moeten worden.

Die koppeling gaat zo. Mensen gebruiken extra inkomen per uur voor consumptie en niet voor vrije tijd omdat anderen dat ook doen. Mensen betwisten elkaar hun positie in de inkomensparade. Maar als het gaat om vrije tijd zijn we helemaal niet rivaliserend ingesteld. Deze combinatie van voorkeuren (rivaliteit in inkomen en consumptie; non-rivaliteit inzake vrije tijd) leidt ertoe dat we te veel tijd besteden aan het verwerven van inkomen. Progressie in de inkomstenbelasting nu, leidt er toe dat die neiging tot te veel werken enigszins wordt ingedamd en we vrije tijd beter op waarde schatten.

Pen vindt het huidige toptarief van tweeënvijftig procent overigens wel acceptabel. Maar, schrijft hij: ‘Toch zag ik liever het herstel van de oude vijfenzeventig procent; dat begint boven de twee ton.’ Hij zou het ‘zeer kwalijk’ vinden als er een vlaktaks zou komen met één tarief voor de inkomstenbelasting van grofweg veertig procent. Een formidabel cadeau aan de miljonairs, noemt Pen dat.

Hier moet ik de ‘oude journalist’ ongelijk geven. Het is een kwestie van smaak. Waar Pen tweeënvijftig procent acceptabel vindt omdat ‘de miljonairs van Nederland dan werken voor de schatkist’, voel ik meer voor de gedachte dat een heffing van boven de vijftig procent burgers verandert in onderdanen. Mijn maximale toptarief zou dus negenenveertig procent zijn. Daarvan hoeft de belastingheffing overigens niet minder progressief te worden: schrappen in de aftrekposten voor de rijken (hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies) is daarvoor ruim afdoende.

Pen vindt dat er meer geld naar onderwijs moet. Dat ben ik van harte niet met hem eens. Pen schrijft dat jonge mensen ‘beter toegerust in de moderne maatschappij moeten komen’, en daarin heeft-ie het grootste gelijk van de wereld. Deze twee opvattingen (van mij dan, niet van Jan Pen) zijn alleen consistent te combineren als je denkt dat kinderen binnen het huidige budget veel beter toegerust kunnen worden voor de maatschappij. Het is wel een lastige positie in tijden van kenniseconomische gekte: vinden dat onderwijs en kennis hartstikke belangrijk zijn en dat de betrokken instellingen geen cent extra moeten krijgen.

Sluit Schiphol, schrijft Pen in zijn toelichting op punt 4, en ‘maak daarvan een plaats waar de bejaarden onderdak zouden vinden in gerieflijke tehuizen; waar de kinderen naar de muziekscholen zouden gaan’. We hebben te weinig oog, wil hij maar zeggen, voor zaken die niet alleen door de gebruiker worden gewaardeerd, maar ook positieve effecten hebben op anderen (muziek bijvoorbeeld). We zijn, omgekeerd, te nonchalant als de consumptie van het individu schade toebrengt aan het welzijn van de ander (zoals in het geval van geluidshinder rond Schiphol). Hierin heeft de schilder (op oude kranten), muzikant (boogie woogie piano) en econoom uit Haren groot gelijk: van (uit)-zicht(verpestende)lokaties voor bedrijven langs de snelweg tot geluidsoverlast door nabijgelegen wegen in mooie bossen.

Pen weet hoe het anders kan. Hij schrijft niet voor niets in zijn laatste punt dat ‘belastingen moeten remmen’. Dat geldt dus voor een rem op al te uitbundige inkomensrivaliteit (zie boven) net zo goed als voor heffingen op vliegverkeer, zwerfvuilproducenten (blikjes) en inefficiënte energieslurpers. Door de schade die met deze consumptie samenhangt te treffen met een heffing worden de prijzen nog beter ook.

Dus ja, Pen had wel goed gezien dat zijn ‘ontboezemingen’ op mijn instemming mochten rekenen. ‘Stapjes voorwaarts op weg naar een iets betere samenleving,’ schrijft Pen. En hij heeft genoeg gelijk om dat van harte met hem eens te zijn.


De zes punten van Jan Pen
1. De groei van de productiviteit moet voor de helft worden gebruikt voor verkorting van de arbeidstijd van de modale werknemer.
2. De AOW wordt premievrij (dus de premie wordt ‘gefiscaliseerd’).
3. Er moet meer geld naar onderwijs.
4. De groei van de productie moet ten goede komen aan de gewone burgers van Nederland: sluit Schiphol.
5. De belastingen moeten progressiever worden.
6. Belastingen moeten remmen: ecotax.