VN MediagidsGezond verstand voorop
Economie 16.08.2008
Omdat de prijs van ruwe olie zo is gestegen de afgelopen twee jaar, net als de prijzen van voedsel, loopt de inflatie wereldwijd op. Probeert de Europese Centrale Bank (ECB) de inflatie op een procent of 2 te houden – de officiële doelstelling –, volgens Eurostat, het Europese statistiekbureau, bedroeg de feitelijke inflatie in Europa in juli 4,1 procent.
Dat wil zeggen: ten opzichte van juli 2007 zijn de prijzen van een mandje boodschappen van de gemiddelde Europeaan met dik 4 procent gestegen. Benzine en voedsel zijn de grote boosdoeners. In Nederland is de inflatie met 3,2 procent relatief laag.
Er zijn mensen die in de oplopende prijzen voortekenen zien van een langdurige periode van economische malaise, naar analogie van de vorige ronde van snelle olieprijsstijgingen in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De redenering is simpel: de hoge inflatie is een blijvertje; de ECB is daarom gedwongen de rente hoog te houden of zelfs te verhogen.
Tegelijkertijd zakt de economische groei in, en die hoge rente verergert die conjuncturele neergang. Binnen de kortste keren zitten we dan in een situatie met stagnerende groei en hoge inflatie, een toestand die we kennen onder de naam stagflatie. Om daaruit te komen zijn paardenmiddelen nodig omdat eerst de inflatie moet worden bestreden en pas daarna de economische groei weer op gang kan komen – niet leuk.
Dit doemscenario kan best werkelijkheid worden – maar ik denk eigenlijk van niet. De kern van het doemscenario is de eerste stap: dat de hoge inflatie een blijvertje is, en dat is niet zo waarschijnlijk. Er zijn drie mechanismen die de inflatie hoog zouden kunnen houden. Laten we ze even bekijken.
Het eerste is: voortgaande stijging van de prijzen van olie en voedsel. Dat lijkt onwaarschijnlijk. Dat de prijzen op het huidige niveau blijven – wat veel hoger is dan we uit het verleden gewend zijn – dat zou nog wel kunnen, maar substantiële prijsverhogingen zijn onwaarschijnlijk gezien het afkoelen van de groei van de wereldeconomie.
Het tweede mechanisme is: via loonsverhogingen. Als de huidige hoge inflatie, via vakbondseisen, leidt tot substantiële loonsverhogingen, zullen ondernemingen op hun beurt de gestegen arbeidskosten proberen af te wentelen op consumenten door de prijzen te verhogen. Die prijsverhogingen leiden dan weer tot hogere looneisen. De inflatie kruipt zo in de hele economie en we komen terecht in een loon-prijsspiraal. Dit is een reëel gevaar, dat gelukkig ook door vakbonden wordt gezien. Hun opstelling bij loononderhandelingen zal mede worden ingegeven door het derde mechanisme.
Dat gaat over: inflatieverwachtingen. Als iedereen denkt dat de inflatie in de toekomst hoog zal zijn, gaat men zich daar ook naar gedragen. Als die inflatie van 4,1 procent de nieuwe standaard zou zijn, moeten loonstijgingen voor komende jaren hoger zijn dan 4,1 procent om nog koopkrachtwinst te halen.
Maar als iedereen verwacht dat de ECB de inflatie wel weer naar de 2 procent zal duwen, desnoods met renteverhogingen, blijven de inflatieverwachtingen laag en kunnen dus ook de toekomstige loonstijgingen beperkt blijven.
Het doemscenario met stagflatie heeft aan elk van deze mechanismen genoeg: voortdurende prijsstijgingen van olie en voedsel ondanks een afkoelende wereldeconomie – bingo. Hogere looneisen ter compensatie van de gestegen prijzen – kassa. Hogere inflatieverwachtingen – altijd prijs.
Gezond verstand houdt ons bij het doemscenario weg – kan ons daarbij weghouden. Inzakkende wereldvraag voorkomt verdere prijsstijgingen – dat is toch geen vergezochte stelling? Een loonprijsspiraal is niet in het belang van werknemers – dat weten vakbonden toch ook? En de reputatie van de ECB als inflatiebestrijder is, zeker voor zo’n relatief jong instituut, toch prima?
Harde feiten zijn het overtuigendst. Het valt daarom te hopen dat de voorzichtige daling die de olieprijs heeft ingezet – een vat kostte op de top van de markt bijna 150 dollar per vat, maar kostte vorige week minder dan 120 dollar – standhoudt.
