VN MediagidsGeluk landt in Den Haag
Economie 06.10.2007
Geluk is in een nieuwe fase beland. Wetenschappers, onder wie socioloog Ruut Veenhoven (bijnaam: ‘de geluksprofessor’) en econoom Bernhard van Praag zijn er al decennialang mee bezig.
De doorbraak in het publieke debat werd bewerkstelligd door de Britse econoom Richard Layard die in 2005 in het even interessante als vermakelijke boek Happiness, lessons from a new science, een populaire samenvatting gaf van wat al dat wetenschappelijke onderzoek – van economie tot psychologie; van hersenonderzoek tot econometrie – tot nu toe had opgeleverd. Veel. Allerlei lobbygroepen raakten geïnteresseerd, uit de milieuhoek evengoed als uit de wereld van de vakbonden.
En nu is geluk officieel geland in Den Haag. In de jongste Macro-Economische Verkenningen (MEV) wijdt het Centraal Planbureau (CPB) een ‘speciaal onderwerp’ aan de economie van het geluk. Van de wetenschap is het onderwerp zo, via de publieke opinie, terechtgekomen in de fase van het beleidsonderzoek, de laatste stap op weg naar een plek voor geluk in het overheidsbeleid.
Het hoofdstuk in de MEV is, zoals dat gaat in deze fase, verkennend van aard, voorzichtig en aftastend. Het is vooral een literatuurstudie. De inmiddels klassieke visualisatie waarin geluk wordt afgezet tegen inkomen, ontbreekt niet (zie grafiek). Van dat plaatje gaat een enorme zeggingskracht uit. Op de verticale as staat per land aangegeven hoe gelukkig mensen zijn, op een schaal van 1 tot 10. De basis hiervoor zijn enquêtes waarin mensen simpelweg gevraagd wordt hoe gelukkig ze door de bank genomen zijn. Op de horizontale as staat het inkomen per hoofd van de bevolking, de klassieke welvaartsindicator.
Het leidt tot twee conclusies. Eén: ja, er is een positief verband tussen geluk en inkomen. Twee: dat verband is allesbehalve lineair. Zeker bij de wat hogere inkomensniveaus, rechts in het plaatje, leidt extra inkomen nauwelijks tot meer geluk. En in sommige arme landen zijn mensen net zo gelukkig als in Nederland of de VS. De geluksvariatie tussen landen met lage inkomens (vertikaal vergelijken bij een inkomen van zeg 5 mille per jaar) is astronomisch. De Armenen zijn er diepongelukkig onder; Columbianen zeer gelukkig. Conclusie: geld maakt niet (per se) gelukkig.
Dit soort empirische waarnemingen roept fundamentele vragen op over het overheidsbeleid. Zou het niet verstandig zijn het streven naar welvaartsstijging in te ruilen voor een streven naar het grootste geluk voor het grootste aantal? Bevinden we ons in een ‘hedonistische tredmolen’ waarin we streven naar steeds meer consumptie, terwijl we er, omwille van ons geluk, verstandiger aan zouden doen daar uit te stappen?
Het CPB laat niet na deze vragen te stellen, maar geeft er geen harde antwoorden op – en dat kan ook nog niet. De auteurs maken wel minstens vier relativerende observaties die de moeite waard zijn. Ten eerste: laten we niet vergeten dat niemand ooit heeft aangetoond dat we gelukkiger worden als we armer worden. Dit lijkt me een fijne waarschuwing voor al te enthousiaste geluksnajagers.
Ten tweede: laten we niet net doen alsof het overheidsbeleid in Nederland gericht is op maximale economische groei. De politieke discussie in Nederland (en de besteding van het overheidsbudget) gaat, naast economische groei, ook erg over leefbaarheid, onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid en natuur.
Ten derde: in het instrumentarium waarmee nu beleidsvoornemens worden geëvalueerd, zit geluk in zekere zin al ingebakken. In de ‘maatschappelijke kosten/baten-analyse’ worden naast de financiële kosten en baten van een voorgestelde ingreep, ook de niet op geld waardeerbare gevolgen meegenomen.
Ten vierde: of het overheidsbeleid nu gericht is op economische groei of op geluk, complexe afruilen blijven bestaan. Mooi voorbeeld: ‘Werkloosheid wordt als minder erg ervaren indien in de omgeving veel werkloosheid voorkomt. Betekent dit dat werkgelegenheidsbeleid zich moet richten op regio’s waarin de werkloosheid laag ligt omdat daar het gelukseffect het grootst is?’
Het CPB zegt niet dat geluk een onbruikbare maatstaf is voor overheidsbeleid. Geluk mag dan niet klakkeloos toepasbaar zijn, men vindt de discussie terzake ‘fascinerend’ en ‘relevant genoeg om te blijven volgen’. Daarmee is de plek van geluk in de beleidscyclus mooi getypeerd: geland in het beleidsonderzoek, op weg naar het beleid.
