VN MediagidsGebreidelde markten werken prima

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 01.03.2008

Door Frank Kalshoven

Marktwerking is uit de mode, en het huidige kabinet doet volop mee. Minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) heeft het privatiseringsbeleid van zijn voorganger Gerrit Zalm al omgedraaid – van ‘ja, tenzij’ naar ‘nee, mits’. En vorige week deed ook minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken een duit in het zakje.

Voorzichtigheid, zou de nieuwe accessoire van het seizoen moeten worden. Het beeld dat het kabinet wil oproepen, is helder: aan de ongebreidelde marktwerking, die neo­liberale fetisj uit de jaren negentig (welja), is onder onze leiding een einde gekomen.
Het merkwaardige is dat vorige week onder verantwoordelijkheid van datzelfde ka­binet een evaluatie naar de Kamer is gestuurd van de effecten van ‘meer markt’ in negen sectoren. Van de luchtvaart tot de taxi’s, van kinderopvang tot telecom. De hoofdconclusie: het gaat eigenlijk prima.

Het vuistdikke rapport Onderzoek Markt­werkingsbeleid is een ambtelijke studie waaraan diverse ministeries hebben meegewerkt. Het onderzoek werd begeleid door een externe commissie van wetenschappers, die echter geen verantwoordelijkheid dragen voor het eindresultaat.
In de bijgevoegde tabel is te zien hoe de ontwikkelingen zijn beoordeeld. In Nederland, valt daaraan al af te lezen, zijn we nooit van de ‘ongebreidelde’ marktwerking geweest. De basiskwaliteit van (voorheen) (semi-)publieke diensten is altijd punt van aandacht geweest, net als de toegankelijkheid van deze diensten, zowel gemeten naar de prijs als naar de beschikbaarheid en bereikbaarheid. Dat is dus geen ongebreidelde, maar ‘gebreidelde’ marktwerking.

De effecten zijn positief voor consumenten. Bleef de basiskwaliteit minimaal gelijk, de innovatie is sterk toegenomen waardoor consumenten meer keuze kregen uit een breder dienstenaanbod. De doelmatigheid is in alle sectoren toegenomen. Alleen bij de toegankelijkheid zijn een paar minnen waar te nemen, vooral bij de prijs(stijgingen) in het taxivervoer van particulieren.
Voor de werknemers in de betrokken sectoren is het beeld minder eenduidig. De
betrokken ambtenaren keken zowel naar de ontwikkeling van de werkgelegenheid als van het uurloon. Bij de werkgelegenheid zijn zowel sectoren waar de werkgelegenheid is gegroeid (onder meer: telecom en de taxi’s), gedaald (energie, openbaar vervoer) als gelijk gebleven (post). De uurlonen zijn in alle sectoren gelijk gebleven of gestegen, met uitzondering van de telecomsector. Ofschoon het beeld dus minder eenduidig positief is, houdt de stelling dat ‘meer markt’ domweg wordt afgewenteld op de werknemers evenmin stand. Het beeld is genuanceerd.

Waar een ander, minder modebewust, kabinet de overwegend goede resultaten van gebreidelde marktwerking zou hebben uitgevent als een succes, kiest Maria van der Hoe­ven in haar begeleidende schrijven aan de Kamer een zuinige toon. Het publieke debat, schrijft ze, is nog onvoldoende gebaseerd op feiten, een lacune waarin ze met dit rapport hoopt te voorzien. Ze wijst er bovendien op dat het onderzoek is geplaagd door gebrek aan gegevens. En ze houdt ver afstand van de conclusie dat het rapport zou aantonen dat marktwerking werkt. Wat de ambtenaren hebben gedaan, is beschrijven hoe het de sectoren na introductie van meer markt is vergaan, en daaruit kunnen geen causale conclusies worden getrokken. Dat zijn verstandige kanttekeningen, daar niet van, maar politici zijn ook wel eens minder methodologisch verantwoord.

Van der Hoeven trekt in haar brief ‘zes lessen’ voor het marktwerkingsbeleid in de toekomst, waarbij het venijn in de staart zit. Les 6 is namelijk: ‘Besteed aandacht aan de “verliezers”.’ De wat vreemde kernzin luidt: ‘Dit geldt met name voor de positie van werknemers waarvan de positie in het geding komt.’ Het is haar te doen om ‘werknemers die niet goed in staat zijn om zich aan de veranderende marktomstandigheden aan te passen’. Ze heeft hiervoor echter geen concrete maatregelen in petto, tenzij we het ‘faciliteren van (bij)scholing’ als zodanig kwalificeren.
Het kabinet, kortom, laat zich gijzelen door de mode. In plaats van krachtig tegen te spreken dat marktwerking in Nederland tot desastreuze en asociale resultaten leidt, en dat aanpassing van het marktwerkings­beleid, gezien de resultaten, nergens voor nodig is, kruipt het in zijn schulp. Ik wens het kabinet meer moed toe.