VN MediagidsFinancieel (on)geletterd
Economie 16.05.2009
‘Veronderstel dat de rente op uw spaarrekening één procent per jaar is en de inflatie is gelijk aan twee procent per jaar. Zou u dan na één jaar meer, precies hetzelfde of minder kunnen kopen dan vandaag met het geld op de rekening?’
Precies.
We doen er nog een: ‘Veronderstel dat u honderd euro op een spaarrekening hebt en de rente is twintig procent per jaar en u neemt nooit geld of rente op. Hoeveel zou u dan na vijf jaar op de spaarrekening hebben: meer dan tweehonderd euro, precies tweehonderd euro of minder dan tweehonderd euro?’
President Nout Wellink vertelde onlangs op een bijeenkomst in het onderwijs dat onderzoekers van De Nederlandsche Bank (DNB) vijftienhonderd mensen hadden gevraagd dit type vragen te beantwoorden. De conclusie: van de vijf vragen die werden gesteld, hadden vier op de tien ondervraagden alle antwoorden goed. Er zijn dus volksstammen Nederlanders die niet begrijpen dat inflatie de koopkracht van hun spaarcenten vermindert (eerste vraag) of dat rente op rente zegenrijk werkt bij het opbouwen van vermogen (tweede vraag). De term voor het ontbreken van deze vaardigheid is financiële ongeletterdheid.
Wellink maakte hier terecht een groot punt van. Voor wie de neiging heeft dit niet direct te beamen, is een vergelijking met analfabetisme verhelderend. Meer dan de helft van de volwassenen in Pakistan is niet in staat een simpele zin over het dagelijks leven te lezen en te schrijven. Dit heeft niet alleen een negatief effect op het vermogen van het individu om zich staande te houden in het dagelijks leven, maar ook op diens vermogen (goed) betaald werk te vinden. Dat analfabetisme heeft ook macro-economische consequenties: leren, groei van de
arbeidsproductiviteit, welvaartstoename – lezen en schrijven is een harde voorwaarde. Landen met veel analfabeten zijn arme landen.
Financiële ongeletterdheid heeft soortgelijke effecten. De economische crisis waarin de wereld zich nu bevindt, is hier, in zekere zin, ook op terug te leiden. De ellende begon op de Amerikaanse huizenmarkt, waar financieel ongeletterde ninja’s (no income, no job, no assets) zich hypotheken lieten aansmeren die voor hen onaanvaardbare risico’s bevatten. Veel arme Amerikanen hadden geen idee waar ze ja tegen zeiden.
In de discussie over de toekomst van de financiële sector wordt dezer dagen – terecht – veel nadruk gelegd op het belang van regelgeving en toezicht en de inperking van perverse beloningsprikkels voor bankiers. Maar goedbeschouwd gaat het hierbij steevast om middelen die de klant tegen zichzelf en de bank moeten beschermen. De superieure oplossing is natuurlijk: een klant die zelf verstandige financiële beslissingen neemt – financiële geletterdheid is daarvoor een voorwaarde. In het ‘strenger toezicht’-denken mag de financiële intermediair de ninja alleen onder strikte voorwaarden een hypotheeklening verkopen; in het ‘geletterdheid’-denken zegt de ninja dat hij zo’n hypotheek niet wil.
Wellink wijst er op dat het belang van een met kennis gewapende consument steeds belangrijker wordt – ook in Nederland. De schulden die we aangaan, groeien snel; het vermogen dat we hebben, krijgt dezer dagen rake klappen, maar bevindt zich los daarvan in een trend omhoog; financiële producten worden ingewikkelder. ‘Wie naar een vergelijkingssite op internet gaat om een hypotheek te zoeken, kan op de eerste pagina al kiezen uit meer dan acht hypotheekvormen.’ Juist omdat de innovaties in de financiële sector sneller gaan dan de toezichthouders kunnen bijhouden, moeten consumenten met kennis bewapend worden.
Hoe? Daarover is Wellink teleurstellend vaag. Hij beperkt zich in zijn speech tot het opsommen van bestaande (educatie)programma’s en wijst overigens vooral naar het middelbaar onderwijs. Om de ‘alles goed’-score van consumenten in het voornoemde onderzoek van veertig procent naar honderd procent te krijgen, zal een aanzienlijk ambitieuzer plan gemaakt moeten worden. Het bevorderen van financiële geletterdheid verdient een even serieuze behandeling als, zeg, de bonuscultuur in het bankwezen. Wellink zegt terecht A, en zal dezer dagen ook B moeten zeggen.
