VN MediagidsEen diploma kost een ton, minimaal

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / Onderwijs 15.09.2007

Door Frank Kalshoven

De economie van het onderwijs is een achtergebleven gebied, specifieker: de bedrijfseconomie van het onderwijs. Productontwikkeling, handig organiseren, productieprocessen en onderwijslogistiek – alleen een voorhoede van scholen is er echt in geïnteresseerd.

Des te verheugender is het dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in De Nederlandse economie in 2006 inzicht verschaft in de kosten van een diploma en de ontwikkeling hiervan in de tijd.
Nog los van de getallen, is de methodiek al heel plezierig. In het onderwijs wordt veelal gedacht in processen, zelden in resultaten. Door in de studie te kijken naar de kosten per einddiploma, helpt het CBS de onderwijssector een beetje resultaatbewuster te worden.

Om de kosten van een einddiploma inzichtelijk te maken, kijkt het CBS naar het onderwijssysteem op één moment in de tijd. Een leerling doorloopt als het ware het hele onderwijssysteem, van basisschool tot einddiploma, in één jaar. De kosten van zo’n onderwijsloopbaan worden zowel berekend voor leerlingen die de kortste leerroute volgen (basisschool, VWO, WO zonder zittenblijven), als voor de feitelijk gemeten leerroutes, dus met omwegen en oponthoud.
Aldus berekend, ontliepen een vmbo-diploma (77.000 euro), een havo-diploma (78.800 euro) en een vwo-diploma (82.500 euro) elkaar in 2005 niet veel als gekeken wordt naar de feitelijk gevolgde leerroutes. Een mbo-diploma op niveau 4 kostte bijna een ton (99.300 euro), terwijl diploma’s in het hoger onderwijs die ton ruim te boven gaan: 118.300 euro voor een hbo-diploma en zelfs 134.200 voor de titel doctorandus of master.

Als je bedenkt dat dit alleen nog maar de kosten zijn die (vooral publiek via belastingheffing en een pietsje privaat via eigen bijdragen) worden betaald aan de onderwijsinstellingen, bekijk je je kinderen toch met een nieuw ontzag. Ik heb thuis kapitalen op de bank zitten, en de komende jaren wordt het geïnvesteerde bedrag, wegens deelname van de jongedames aan het hoger onderwijs, nog stevig opgevoerd.

In de loop van de tijd stijgen de kosten per diploma fors. Het CBS vergelijkt de kosten per diploma in 2005 met die in 1998. Als de inflatie even buiten beschouwing wordt gelaten (het witte stukje in de grafiek), waren de reële kostenstijgingen toch nog indrukwekkend. Die waren het laagst voor het hoger onderwijs (zeventien procent voor een hbo-diploma en elf procent voor het wo-diploma), het hoogst voor het vmbo-diploma (plus tweeëndertig procent), met stijgingspercentages van dik in de twintig voor de andere diploma’s.

De belangrijkste oorzaak hiervan ligt echter in een schooltype dat in de diplomalijstjes niet voorkomt: het primair onderwijs dat de ‘grondstoffen’ levert voor de andere schooltypes. Bijna de complete reële kostenstijging van een diploma van de universiteit (11.900 euro) komt voor rekening van de kostentoename van het primair onderwijs (10.400). Per leerling stegen de kosten in het primair onderwijs tussen 1998 en 2005 namelijk van 3.050 naar 5.240 euro. Ook als de inflatie daarvan wordt afgehaald, blijft er in 2005 een kostenniveau over van 4.330, een stijging dus van de reële kostprijs van 42 procent. Deze – mag ik het zeggen? – kostenexplosie in het primair onderwijs werkt natuurlijk door in de kosten van alle diploma’s.

Tussen de cijfers door valt te lezen dat de maatregelen die zijn genomen om de kosten te beperken weinig vruchten afwerpen – en bovendien veelal onwenselijk zijn. Zo is het aantal overstappers binnen het voortgezet onderwijs – via havo naar vwo bijvoorbeeld – afgenomen, waardoor de gemiddelde opleidingsduur is afgenomen. Dit soort ingrepen heeft geleid tot een kostenbeperking van één procent, door het CBS getypeerd als ‘een relatief marginaal verschijnsel’. De echte kostenstijgingen, tientallen procenten, zitten in de kosten per leerling, die vooral stijgen door toenemende arbeidskosten.

Daarmee valt deze publicatie in het hart van de voortdurende discussie over het dreigende lerarentekort, en de recente aankondiging van minister Ronald Plasterk van Onderwijs dat hij veel geld denk nodig te hebben om het beroep van docent aantrekkelijker te maken.
Naar aanleiding van deze cijfers zou je (andermaal) willen suggereren: kijk ook eens naar de bedrijfsvoering van de onderwijsinstellingen. Vijf procent meer effectiviteit of efficiëntie geeft de sector alle ruimte – het dikke miljard euro namelijk waar het Plasterk om te doen is – om, binnen het bestaande budget, docenten beter te belonen.

Hoe dat ook afloopt, het CBS heeft aangetoond dat onze kinderen niet alleen onbetaalbaar zijn, maar ook een nogal indrukwekkende investering.