VN MediagidsDe rijkdom die vrijheid koopt, is relatieve rijkdom.
Economie 04.09.2010

Dat is een makkie: VN maakt een speciaal nummer over vrijheid en je bent de economisch columnist van dienst. Dat stukje schrijft zichzelf. Geld, dames! Heren ook! Geld! Money, money, money. Je schrijft een stukje over euro's, dollars, renminbi en yen opgehoopt in de zakken van een individu. Opgehoopt geld, rijkdom, geeft de twee soorten vrijheid die we op de wereld kennen. Vrijheid van zorgen en gebrek. Vrijheid om te doen waar je lol in hebt. Negatieve en positieve vrijheid, samengebracht op één bankrekening met veel nullen.
En voor de goede orde: het is waar. Wie rijk is, is vrij.
Maar we maken het stukje iets ingewikkelder. Er zijn minimaal twee kanttekeningen te maken bij een lofzang op vrijheid verschaffende geldbergen. Over verdeling en over geluk.
Ten eerste: als rijkdom vrijheid verschaft, waarom worden we dan niet allemaal rijk? Dan zijn we immers ook allemaal vrij. En een wereld waarin iedereen rijk en vrij is, ziet er vast leuker uit dan de huidige.
Helaas. De rijkdom die vrijheid koopt, is relatieve rijkdom. Wie veel rijker is dan de rest, kan zich meer permitteren dan de rest. Als iedereen rijk is, is niemand rijk. Vrijheid verschaffende rijkdom veronderstelt dus een scheve verdeling van inkomen en vermogen. De tien procent rijksten der aarde hebben de armere negentig procent nodig om rijk te zijn.
We kunnen dit waarnemen aan de boulevard in Saint-Tropez. Hier liggen de dure jachten aan de kade, met op het achterdek de rijke mens die zich laat bedienen door zijn eigen bootpersoneel. Op de kade laat het gewone volk zich op het terras bedienen door een doodgewone ober. Het gewone volk kijkt naar de achterdekken; de rijkaards kijken naar de mensen op de kade. Zonder volk op de kade is er niets aan op het achterdek.
- Als iedereen rijk is, is niemand rijk
Het relatieve karakter van de rijkdom is een instinker. Om rijker en vrijer te worden, moeten we steeds een sportje hoger klimmen op de inkomensladder. Dus: hard werken, veel uren maken, zorgvuldig de carrière plannen, spaarcentjes goed beleggen. Met als beloning: een stap omhoog op de ladder. Maar de inkomensladder is relatief. Dus terwijl u stijgt, dalen anderen. Het is een nulsomspel.
Daarom zeggen moderne economen hun negentiende-eeuwse intellectuele grootvaders na: richt de aandacht toch niet zo op vrijheidverschaffend inkomen. Kijk naar het brede welzijn van de mens. Noem het maar weer geluk. En in dat geluk speelt geld een rol, net als vrijheid, maar zaligmakend zijn ze niet.
De Britse econoom Richard Layard blies de traditie een paar jaar geleden nieuw leven in met z'n prachtige boek Happiness. Sindsdien gaat hij als gelukseconoom door het leven. Zijn samenvatting van het geluksonderzoek is dat er zeven factoren zijn die het geluksniveau van een individu bepalen. Persoonlijke vrijheid is er een van. En het huishoudinkomen ook. Maar daarnaast, en kwantitatief belangrijker, zijn er zaken als: het hebben van werk (los van het inkomen dat hiermee wordt verdiend), het samenleven in een gezin, vertrouwen hebben in anderen in de gemeenschap.
Terwijl veel rijker worden dan anderen een individu dus apart zet en veel vrijheid verschaft, wordt geluk juist bevorderd door deel uit te maken van gemeenschappen - thuis, op het werk en in de buurt. En in tegenstelling tot de vrijheid die inkomen verschaft, gaat het bij die geluksbepalende factoren niet om nulsomspellen. Wie veel plezier heeft in zijn werk, verschaft anderen op het werk ook plezier, in plaats van dat van hem af te nemen.
Geld maakt vrij maar niet gelukkig. Als je het zo samenvat is het iets om op een Delfts blauw tegeltje te zetten.
