VN MediagidsDe economie van de moeder
Economie 01.09.2007
De gegevens, schrijven de onderzoekers van het Sociaal Cultureel Planbureau die tekenden voor het rapport Moeders, werk en kinderen in model, ‘zijn verzameld met een schriftelijke vragenlijst onder moeders met een of meer kinderen tot en met 12 jaar’.
Terwijl ik verder citeer over de werkwijze van de onderzoekers, vraag ik u te benoemen wat u hierin het meeste opvalt. ‘De moeders werden bevraagd over allerlei aspecten van kinderopvang, zoals opvattingen over kinderopvang, de kinderopvangmogelijkheden in hun omgeving, het gebruik van kinderopvang en de kosten die zij daarvoor maken. Ook werden vragen gesteld over hun arbeidsloopbaan en hun opvattingen over werken en de zorg voor kinderen. Daarnaast bevatte de enquête vragen over achtergrondkenmerken zoals de leeftijd en het opleidingsniveau van de moeder en de samenstelling van het huishoudinkomen.’
En, wat viel u op?
Dat we hier te maken hebben met een econometrisch onderzoek op basis van micro-data? Nee, daar geloof ik niets van, tenzij u econoom bent, of iets aanpalends.
Nee, ik hoop dat u bleef haken aan het woord moeders. Dat u zich verwondert over de volstrekt natuurlijke manier waarop geschreven staat dat de moeders ondervraagd zijn over alle denkbare aspecten van kinderopvang, en dat de vaders niets gevraagd is. Ze komen in het hele stuk eigenlijk niet voor – behalve dan als achtergrondruis, als medeleverancier aan het huishoudinkomen dat voor de moeder relevant is bij haar beslissingen over werk en kinderopvang.
Het woord vader komt in het stuk eigenlijk maar één keer voor, namelijk als de relevante internationale literatuur besproken wordt. Daar lezen we dat ‘het werken van vaders in het algemeen als gegeven beschouwd wordt. Dit wordt ingegeven door het feit dat de zorg voor kinderen veelal door de moeders wordt gedaan. Mannen werken, ook in Nederland, meestal fulltime en de relatie van hun werksituatie met de keuze voor kinderopvang wordt niet vaak onderzocht.’ Waarna de SCP’ers gelukkig verwijzen naar een paar uitzonderingen op deze regel.
Nu even twee dingen scherp uit elkaar houden: enerzijds het onderzoek zelf en de waarde daarvan om te helpen verklaren waarom het met vrouwen op de arbeidsmarkt gaat zoals het gaat, en anderzijds: de culturele verwondering over het ontbreken van de vaders.
Op het onderzoek zelf, namelijk, in het klein beschouwd, is weinig aan te merken. Lekker data verzameld, verschillende modellen geschat, conclusies getrokken. Uit de data blijkt dat het aantal uren dat vrouwen werken, afneemt met het aantal kinderen (zie grafiek). De moeders kiezen voor verschillende typen kinderopvang, formeel en informeel (idem). Het marktaandeel van de formele kinderopvang, blijkt ook weer uit deze data, is verrassend klein – wanneer gaan ze in die sector nu eens serieus aan het werk, vraag je je weleens af. De conclusies zijn niet schokkend maar altijd aardig, bijvoorbeeld dat een hoger uurloon impliceert dat de moeders vaker een baan hebben, meer uren werken en vaker gebruikmaken van kinderopvang.
Het interessantste is eigenlijk de culturele conclusie: ‘De normen en waarden in de omgeving spelen een belangrijke rol.’ En daarbij gaat het dan om opvattingen van de directe omgeving over werkende moeders en de oordelen over soorten kinderopvang.
Als het feitelijk juist is dat vaders (behalve via hun inkomen) geen rol spelen bij beslissingen van vrouwen over hun arbeidsmarktgedrag en de opvang van hun kinderen, kun je onderzoekers moeilijk verwijten dat ze het onderzoek doen dat ze gedaan hebben.
Er zijn dus, naast verwondering, slechts twee soorten van kritiek mogelijk. De eerste is inhoudelijk: het is feitelijk onjuist dat vaders geen rol van betekenis spelen, zou dan de stelling moeten zijn. Je kunt de onderzoekers in elk geval verwijten dat ze dit niet hebben getest, en aan deze mogelijkheid nauwelijks aandacht besteden.
De tweede soort kritiek is maatschappelijk: wat hebben wij een rare maatschappij gemaakt, en wat een rare relaties gaan we aan, als de arbeidsmarkt- en kinderopvangbeslissingen uitsluitend door vrouwen worden genomen. Deze kritiek geldt dus niet het onderzoek, maar het onderzoeksobject. Rare jongens, die mannen en vrouwen, is dan de stelling.
Welke van de twee soorten kritiek van toepassing is? Op voorhand zou ik denken dat de invloed van vaders in elk geval zo groot is dat je ze in dit type onderzoek niet zomaar kunt negeren. Maar dat de emancipatie van man en vrouw nog niet voltooid is, valt ook moeilijk te ontkennen.
Voor de onderzoekers betekent dit: ook ander onderzoek doen graag. En voor het onderzoeksobject: terug naar de keukentafel.
