VN MediagidsDe doctorandussencultuur (slot)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / Onderwijs 12.08.2006

Door Frank Kalshoven

Waar werken de handelingsschuwe doctorandussen? En kan uit hun werkplekken iets worden afgeleid over de (on)geldigheid van de hypothese over de doctorandussencultuur? Is het verlangen naar steeds meer hoger opgeleiden gerechtvaardigd, of doen we er juist verstandig aan dat verlangen in te dammen?

Gemiddeld, blijkt uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, weergegeven in de grafiek, is 28 procent van de werkzame beroepsbevolking hoger opgeleid. Een praktisch even groot percentage werkt met alleen lager onderwijs. De rest, 44 procent, heeft een opleidingsniveau daartussenin.

De doctorandus (en hbo’er) is, als het om de marktsector gaat, oververtegenwoordigd bij financiële instellingen en in de zakelijke dienstverlening. En in alle sectoren van de publieke sector – openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur – werken ook meer doctorandussen dan gemiddeld in de Nederlandse economie. De rest van de economie doet het met minder hoger opgeleiden dan gemiddeld: de landbouw, de industrie, de bouw, de handel, de horeca, het vervoer en de communicatie.
Het is een fascinerend lijstje.

Doe, als u de fascinatie niet meteen kunt delen, nog even een stap terug. Waarom is het bon ton om te pleiten voor meer hoger opgeleiden? Het belangrijkste argument is de concurrentiepositie: in de toekomst moeten wij ons geld verdienen met hoogwaardige producten en diensten. In het buitenland is de arbeidskracht goedkoper, wij zijn slimmer. Om slimmer te blijven, moeten meer van onze kinderen langer naar school.

Dat ‘slimmer’ produceren betekent niets meer of minder dan dat de arbeidsproductiviteit snel groeit. Nieuwe uitvindingen maken productieprocessen efficiënter waardoor tegen dezelfde kosten meer geproduceerd kan worden. Of: innovatieve producten kunnen voor een hogere prijs verkocht worden dan bulkgoederen. De doctorandussen zijn nodig om producten en productieprocessen te verbeteren, resulterend in een stijging van de arbeidsproductiviteit.

Het fascinerende van het lijstje nu, is dat er bijkans een omgekeerd evenredig verband is tussen het aandeel doctorandussen dat in een sector werkt, en de groei van de arbeidsproductiviteit aldaar. Kijk even naar de extremen. De landbouw weet met steeds minder boeren steeds meer te produceren: miniem percentage doctorandussen. Dat komt door het gebruiken van steeds slimmere machines, te koop aangeboden door de industrie: slechts 17 procent hoger opgeleiden. Aan de andere kant is het onderwijs – met 76 procent hoger opgeleiden de belangrijkste verzamelplaats van doctorandussen – een typisch voorbeeld van een sector waar de arbeidsproductiviteit niet stijgt maar daalt. Ik zeg daar graag achteraan: terwijl in het onderwijs de kansen op productiviteitsgroei voor het oprapen liggen.

Financiële instellingen en de zakelijke dienstverlening zijn op de regel ‘hoe meer doctorandussen, des te trager de groei van de arbeidsproductiviteit’ een uitzondering. Blijkbaar slaagt men er in deze sectoren wel in mensen die langer naar school zijn gegaan echt productiever te maken, wat iets te maken zal hebben met de (internationaal) concurrerende omgeving waarin gewerkt wordt.

Heeft Nederland nog meer doctorandussen nodig om het bedrijfsleven internationaal goed te laten concurreren? De vraag stellen is hem beantwoorden. Als bedrijven meer hoger opgeleiden nodig hebben, kunnen ze die met het grootste gemak losweken uit de publieke sector. Als bedrijven dat nuttig zouden vinden, zouden ze dat wel doen, of al gedaan hebben.

Intussen is het voor de cultuurhypothese wel aardig dat het merendeel van de doctorandussen blijkbaar het liefst werkt in ‘afgeschermde sectoren’. Afgeschermd van buitenlandse concurrentie en afgeschermd van de markt doet de doctorandus in publieke dienst zijn werk. Goed opgeleid, welbespraakt, druk met processen, procedures en protocollen, wikkend en wegend over het nieuwe beleid inzake X.

Ik tel drie hypothesen. Eén: er bestaat zoiets als een doctorandussencultuur; twee: die cultuur verhindert het handelen en bevordert het vruchteloos doordenken en doordiscussiëren; drie: die cultuur concentreert zich in de publieke sector. Mochten deze hypothesen kloppen – en dat valt nog te bezien – , dan hebben we een paar indrukwekkende problemen gecreëerd. Het eerste gaat over het functioneren van de publieke sector zelf: handelingsonbekwaam vanwege een te groot contingent hoger opgeleiden? Het tweede gaat over de instellingen voor hoger onderwijs: die zouden een ander soort hoger opgeleiden moeten afleveren om bruikbaar te kunnen zijn voor een moderne economie. Het derde gaat over de impliciete aanname achter het beleid inzake de kennisintensieve economie: is het (voor productiviteitsgroei) echt noodzakelijk om meer mensen hoog op te leiden? Of houden we onszelf zo voor de gek?

Overigens was dit een typisch voorbeeld van een doctorandussen-serie, al ben ik dan een doctor. Meta-discussies: gek word je ervan.