VN MediagidsDe doctorandussencultuur (2)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / Onderwijs 05.08.2006

Door Frank Kalshoven

 

Het aantal hoger opgeleiden is de afgelopen dertig jaar fors gestegen en – om het eens deftig te zeggen – in het vigerende discours wordt verondersteld dat het zinnig, nuttig en rendabel zal zijn om het aandeel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking nog verder op te voeren.

Naast economische kanttekeningen – naarmate we meer investeren in hoger onderwijs daalt het rendement – , stelde ik vorige week dat er ook nog een sociologische redenering kan worden ontwikkeld die indruist tegen de logica van het kweken van steeds meer doctorandussen. Er bestaat (is althans de stelling) zoiets als een doctorandussencultuur, die naast veel moois ook veel lelijks brengt.

Zoals de timmerman de neiging heeft een crisis in zijn relatie te verhelpen met een verbouwing of een nieuwe vloer – en daarmee best wel eens succes afdwingt –, gaat de doctorandus elk vraagstuk te lijf met het gereedschap dat hem tijdens zijn studie is aangereikt. Kennis is macht, heeft hij geleerd, dus moet elk vraagstuk in eerste instantie vooral begrepen worden, uitgediept en uitgedacht, in de context worden geplaatst van de nationale en internationale literatuur en indringend bediscussieerd worden met collega-doctorandussen, die vaak behulpzaam zijn met het verwijzen naar nog weer nieuwe bibliotheken vol interessante papers.

Een jaar of tien geleden schreven de Nederlandse econoom Arjo Klamer en diens Amerikaanse collega Deirdre McCloskey een stuk in het toonaangevende vakblad American Economic Review. De strekking: een kwart van het nationaal inkomen wordt verdiend met ‘overtuigen’. De ene werknemer probeert de andere werknemer (of een klant) ergens van te overtuigen, en daarmee verdient een kwart van de Amerikanen zijn brood. In Nederland zal het niet anders zijn. De doctorandussencultuur maakt hier nadrukkelijk deel van uit.

Als het waar is, is het dan ook erg? Mijn idee zou zijn dat de doctorandussencultuur ertoe bijdraagt dat over vraagstukken (te) veel wordt gepraat, en dat er (te) weinig wordt gedaan. Als dat klopt, dan brengt de doctorandussencultuur inderdaad schade toe.

Laat me een voorbeeld geven. Een paar jaar geleden is (ongetwijfeld door een schrandere doctorandus) bedacht dat gemeenten efficiënter kunnen werken door onderling de prestaties te vergelijken. Dit ‘benchmarken’ zou inzichtelijk maken dat gemeente X ten opzichte van de best presterende gemeente Y veel meer geld kwijt is aan, zeg, vuilnis ophalen. Gemeente X zou dan de ‘best practice’ van gemeente Y kunnen overnemen en zo schaars begrotingsgeld besparen. Een helder en goed idee, gericht op handelen.

Een paar jaar later is van deze kostenbesparende dynamiek nog weinig te merken. Wel is er een indrukwekkend circuit ontstaan waarin doctorandussen met elkaar praten over de gemeentelijke benchmark. Zijn de gebruikte definities wel goed? Zijn de data wel overal op dezelfde manier verzameld? Zou het niet verstandig zijn om komend jaar deze of die indicator ook nog op te nemen, in verband met de eenduidige interpretatie van de uitkomsten? Kan de waarde van deze indicator dan ook nog worden herberekend voor eerdere jaren, in verband met de vergelijkbaarheid in de tijd? Dat soort vragen.

Ik ben de laatste om bezwaar te maken tegen het perfectioneren van een systeem, maar liever dan een perfect uitgevoerde bench-mark zou ik zien dat met onvolledige kennis en onvolledige informatie handelend werd opgetreden. Dat iets werd gedaan. De verschillen tussen de best en de slechtst presterende gemeenten zijn zo groot, dat methodologische mitsen en maren de essentie van de uitkomst niet zullen beïnvloeden. Kennisgebrek hoeft het handelen niet in de weg te zitten. Toch is dat precies wat er gebeurt.

Het tekort aan handelingsbereidheid is een logisch gevolg van de doctorandussencultuur. De aankomende doctorandus leert gedurende zijn opleiding niet alleen veel, hij krijgt ook zicht op wat hij allemaal niet weet. Hij staat als kleine man in een landschap dat zo ver het oog reikt vol staat met stellages vol tijdschriften en boeken en hij realiseert zich: wat ik ook allemaal in mijn kop stamp, wat ik niet weet, zal altijd een veelvoud zijn van wat ik wel weet. Hij leert bovendien: er zit dynamiek in het weten. Wat dertig jaar geleden voor evident gehouden werd, kan vandaag de dag worden afgedaan als prewetenschappelijke prietpraat. In zijn colleges methoden en technieken leert hij bovendien dat er maar één figuur erger is dan de gore leugenaar: de statisticus. Ook directe observatie is tijdens die lessen afgeschilderd als een fraai bos vol voetangels en klemmen, en uitgehongerde bruine beren buiten de betreden paden. Dit noopt in het dagelijkse leven na de studie allemaal tot voorzichtigheid.

Anderzijds: het handelen komt in de studie alleen bij uitzondering aan bod, en dan nog in abstracto. Decision making under uncertainty lijkt praktisch, maar is bij nader inzien toch vooral wetenschap. Hoe je van onvolledige informatie uit een gemeentelijke benchmark naar een efficiëntere vuilophaaldienst komt, dat leert de doctorandus niet.
Er bestaat dus een logisch (maar niet per se lineair) verband tussen de opleiding van de doctorandus en diens handelingsonwilligheid. Processen, projectorganisaties, procedures – uit die hoek komt de veiligheid van het werkzame bestaan. Keuzen maken, problemen oplossen, praktisch handelen – het zijn riskante activiteiten voor elk mens, maar de doctorandus kan ook nog prachtig vertellen waarom hij dit allemaal nalaat.

Volgende week: waar houdt de handelingsschuwe doctorandus zich op?