VN MediagidsChinees wonder is niets bijzonders

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / China 30.09.2006

Door Frank Kalshoven

Schreef ik vorige week over de zegeningen van de groei van China voor de Nederlandse welvaart – driehonderd euro per huishoudens per jaar erbij – nu zou ik u dolgraag meenemen naar de machinekamer van het Chinese schip van staat. Hoe komt het toch dat China al zo lang zo snel groeit? En: is het een wonder, of kunnen andere landen het ook?

De belangrijkste reden om nog even over China door te zeuren, is dat in de studie van het Centraal Planbureau, China and the Dutch economy, zo’n intrigerend plaatje staat. Het gaat over drie Aziatische landen: Korea, Japan en China die elk op een ander moment het roer omgooiden. Eerst Japan: 1955. Dan Korea: 1960. Tenslotte China: 1978. De jaartallen markeren stevige beleidswijzigingen en het begin van een fase van snelle economische ontwikkeling en groei. ‘Lift-off’, noemen economen dat.

In het plaatje zijn de beginjaren samengevoegd. T=5 betekent voor Japan dus 1960, voor Korea 1965 en voor China 1983. Twee dingen vallen op. Ten eerste: de groei van het nationaal inkomen is de eerste vijftien jaar na de breuk met het slechte economische beleid in alle landen gelijk. Ten tweede: na vijftien jaar ‘lift-off’ groeit China sneller door dan Japan en Korea in het verleden deden. Enerzijds is de snelle groei van China dus niets bijzonders – dat gaat ‘altijd’ zo als een land ‘opstijgt’ – maar anderzijds houdt China de hoge economische groei wel langer vol dan zijn voorgangers.
Dat er over de opkomst van China aanmerkelijk meer amok wordt gemaakt dan destijds over Japan en Korea, hangt vermoedelijk vooral samen met de grootte van het land. Korea is met een (gedurende de lift-off) gemiddelde bevolking van 32 miljoen mensen maar twee keer groter dan Nederland. Over Japan, met 97 miljoen mensen drie keer groter dan Korea, is veel meer te doen geweest, vooral toen Japanners in de jaren tachtig Amerikaanse bedrijven en gebouwen begonnen op te kopen. Maar China staat met 1,2 miljard mensen natuurlijk in een aparte klasse: een vijfde van de wereldbevolking.

Toch zijn de mechanismen die China nu opstoten in de vaart der volkeren identiek aan die uit Japan en Korea, en trouwens ook aan de mechanismen die de kleine ‘Aziatische Tijgers’ groot maakten.
In de CPB-studie staat de groei van China uiteengerafeld. Uitgangspunt daarbij is de groei van het inkomen per hoofd van de bevolking, per Chinees (zie grafiek) 7,2 procent per jaar in de periode 1998-2003. Er zijn drie hoofdgroepen van verklaringen. Eén: demografie en arbeidsmarkt (-0,1 in die periode). Twee: de kapitaalintensiteit van de productie (4,5 procent). Drie: overigen (2,8 procent).

De afgelopen vijftien jaar is de groei van de kapitaalintensiteit dus de belangrijkste verklaring voor de inkomensgroei: in het productieproces worden elk jaar meer machines ingeschakeld. Dat kan natuurlijk alleen als er voldoende kapitaal beschikbaar is om aanschaf en onderhoud te financieren. Chinezen consumeren dan ook extreem weinig – de helft van hun inkomen – en sparen veel. Het toestromende buitenlandse kapitaal, dat geïnvesteerd wordt in fabrieken, helpt ook mee. Zo’n combinatie van hoge groei en lage consumptie is typerend voor landen die ‘opstijgen’. In ‘rijpe’ economieën wordt veel minder gespaard – Nederland is een uitzondering – en wordt tot wel honderd procent van het inkomen uitgegeven aan consumptie (VS).

Demografie en arbeidsmarkt helpen China nauwelijks vooruit. Een van de redenen hiervoor is dat kinderen (langer) naar school gaan: hun arbeid wordt onttrokken aan de beroepsbevolking. Op korte termijn remt dit de groei, maar op lange termijn geldt ook voor China dat hogere scholingsniveaus de welvaart bevorderen.

Van de overige factoren waren ‘verschuiving tussen sectoren’ in de jaren tachtig van groot belang: Chinezen die laagproductief werk deden in de landbouw gingen werken in fabrieken waar ze veel productiever werden ingezet. Inmiddels zijn toegenomen vaardigheden van werknemers belangrijker dan dergelijke verschuivingen tussen sectoren. Technologische ontwikkeling speelt eigenlijk een bescheiden rol.

Uiteengerafeld in demografie, kapitaal en overige invloeden ziet de groei van China er heel prozaïsch uit – en dat is het dan ook. Het ‘opstijgen’ lijkt sterk op dat van de voorgangers, met als accentverschil dat vooral voor de Aziatische Tijgers de toestroom van arbeid veel belangrijker was.

Jammer misschien dat er weer een wonder minder is om in te geloven. Het goede nieuws is dat voor andere arme landen het recept voor welvaartsverbetering gewoon van internet te plukken is.