VN MediagidsBlij zijn met inkomensongelijkheid

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie 20.10.2007

Door Frank Kalshoven

Drie feiten over inkomensongelijkheid streden vorige week om de aandacht, en met elkaar kunnen ze dienen als lakmoesproef voor het gelijkheidsdenken. Eerst de vragen, dan de antwoorden.

Vraag 1: Wilt u in Nederland meer of minder inkomensongelijkheid, of bent u daarin neutraal?

Vraag 2: Dezelfde vraag, maar dan voor de hele wereld.

Vraag 3: Heeft u met uw antwoorden het beste voorgehad met uzelf of met anderen?

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) publiceerde vorige week vast een paar hoofdstukken uit de periodieke World Economic Outlook, waaronder een hoofdstuk getiteld Globalization and Inequality. Het vaderlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceerde data over de inkomensongelijkheid in Nederland én gegevens over de voorkeuren terzake van de Nederlandse bevolking. De uitkomst in een notendop: in Nederland is de inkomensverdeling de afgelopen jaren gelijk gebleven, terwijl een meerderheid van de bevolking een voorkeur heeft voor nog meer gelijkheid. In de wereld is de verdeling van inkomens juist ongelijker geworden. Hoe kun je hier nu tegenaan kijken?

Dicht bij huis beginnend: de CBS-cijfers over de feitelijke ontwikkeling van de inkomensverdeling zijn in directe tegenspraak met toevallige waarnemingen en de populaire mening. We denken – voetballers die onder de euro’s bedolven worden, toplieden uit het bedrijfsleven die tien keer meer dan Balkenende verdienen, bestuurders in de (semi)publieke sector die fors verdienen – dat de inkomensverdeling in Nederland ongelijker is geworden, terwijl dat feitelijk niet het geval is. De Theil-coëfficiënten (een maat voor inkomensongelijkheid) van het CBS zijn sinds 2001 zo constant, dat het de moeite niet loont er een grafiekje van te maken. Dat is het aardige van statistiek: je denkt het ene te zien en het andere is waar.

Het zou me niet verwonderen als de voorkeur van Nederlanders voor meer inkomensgelijkheid veel te maken heeft met het beeld dat ze hebben van de inkomensverdeling. Dat is helaas niet te achterhalen. Wel weten we hoe die voorkeur voor een rechtere verdeling is verdeeld naar geslacht (vrouwen zijn sterker voor gelijkheid dan mannen) en naar leeftijd en opleidingsniveau (zie grafiek). In die voorkeuren is een patroon van welbegrepen eigenbelang zichtbaar. Ouderen, die weinig mogelijkheden meer hebben om zelf van toenemende inkomensongelijkheid te profiteren, zijn vaker voor gelijkheid dan jongeren – die ruiken kansen. Hoogopgeleiden, met een grote kans om aan de ‘goede kant’ van de ongelijkheid terecht te komen, zijn vaker voor grotere variatie in inkomens dan laagopgeleiden. Toch is een kleine zestig procent van de hoogopgeleiden en eenzelfde percentage van de jongeren voor meer inkomensgelijkheid: we zijn niet allemaal calculerende hufters.

Maar als we het werkterrein groter maken – de wereld –, wordt het lastiger kiezen, juist voor mensen die bij vraag 3 antwoordden dat ze het beste met de ander voorhebben. Want volgens het IMF is de inkomensongelijkheid in de wereld de afgelopen twee decennia toegenomen, maar is het inkomen van de armsten toch gestegen. De armsten zijn beter af, ook al is het inkomen van mensen met een hoger inkomen sneller gestegen. Meer inkomensongelijkheid gaat hand in hand met een positieverbetering van de armsten.

Twee zaken vallen hierbij op. Ten eerste: voor ontwikkelde landen speelt nieuwe technologie een hoofdrol bij het verklaren van meer ongelijkheid. Het zijn de hoger opgeleiden, aldus het IMF, die zich de nieuwe technieken snel eigen maken en de bijbehorende productiviteitswinst via loonsverhogingen in de toch al goed gevulde zak steken; lager opgeleiden komen moeilijker mee.

Ten tweede: de inkomensongelijkheid neemt sterk toe in landen die zich ontworstelen aan de armoede. China en de rest van Azië, Oost-Europa, Latijns-Amerika, het zijn regio’s waarin de welvaart snel toeneemt, gelukkig, maar mede als gevolg daarvan de ongelijkheid in de inkomensverdeling ook. Het niveau van inkomensongelijkheid is in ontwikkelde landen veel lager dan in de snelle groeiers, vandaar dat het IMF spreekt van een ‘fase in de globalisering’. Naarmate de Chinezen rijker worden, is dus de gedachte, wordt de inkomensverdeling daar vanzelf rechter.

Wie dus bij vraag 3 aangaf het beste met de ander voor te hebben, kan er ten aanzien van de inkomensverdeling in Nederland en de wereld andere opvattingen op nahouden. De (in doorsnee) hoogopgeleide VN-lezer kan de ongelijkheid in de wereld nog best even billijken, zolang de armsten in absolute zin rijker worden en voortgaande economische groei in opkomende economieën maar tot meer gelijkheid leidt. Het altruïstische antwoord in Nederland is eenduidiger: meer gelijkheid graag, waarbij dan nog even in het midden blijft of dat gestalte moet krijgen via inkomensherverdeling of via scholing.