VN MediagidsBalkenende en Bos krijgen twee procent

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Economie / arbeidsmarkt 24.06.2006

Door Frank Kalshoven

Ministeries werken aan hun ‘verkenningen voor de middellange termijn’, partijen schrijven aan hun verkiezingsprogramma’s – de politiek-ambtelijke subcultuur is druk doende met de wereld na mei 2007, de maand waarin de parlementsverkiezingen worden gehouden.

Wat al deze activiteiten ook teweeg mogen brengen – Balkenende III?, Bos I –, vorige week is de basis van het regeerakkoord alvast gepubliceerd. Want het Centraal Planbureau (CPB) publiceert grofweg een jaar voor de verkiezingen een vooruitblik op de ontwikkeling van de economie in de nieuwe kabinetsperiode. In Het groeipotentieel van de Nederlandse economie tot 2011 (www.cpb.nl) berekent het CPB dat het nieuwe kabinet kan rekenen op twee procent economische groei per jaar. Traditiegetrouw doet men daar een kwart procent af om uit te komen op wat dan heet ‘een behoedzaam scenario’.

Deze 1,75 procent gaat vanaf nu een eigen leven leiden. Het percentage wordt uitgangspunt voor de makers van verkiezingsprogramma’s – die straks immers door hetzelfde CPB worden doorgerekend. En daarmee is het logischerwijs ook het uitgangspunt bij de formatieonderhandelingen na de verkiezingen. Prangende vraag derhalve: klopt het, is twee procent het juiste getal?

Eerder te hoog dan te laag, zou ik zeggen.

Twee factoren bepalen de groei grotendeels. Hoeveel werknemers zijn er beschikbaar? Hoe productief zijn die? Met de antwoorden op deze vragen – plus de redelijke veronderstelling dat de economie zich in 2011 wel in evenwicht zal bevinden – ben je klaar.

Hoeveel werknemers? De groei van het aantal mensen dat twaalf uur per week of meer wil werken, daalt structureel. In de grafiek, waar dit als ‘arbeidsaanbod’ wordt aangeduid, is af te lezen dat het aanbod van werknemers begin jaren negentig nog met 1,7 procent per jaar toenam. In elke volgende periode neemt dit af, en Bos en Balkenende kunnen slechts rekenen op een half procent jaarlijkse groei van het arbeidsaanbod. Dat halve procentje is de resultante van krimp door demografische oorzaken (vooral: vergrijzing) en wat groei door verbeterde participatie (vooral: vrouwen).
Als de productiviteit van alle Nederlandse werknemers gelijk zou blijven, zouden we het met die halve procent groei moeten doen. Maar de productiviteitsgroei neemt steeds sneller toe, stelt het CPB. Zijn we de afgelopen vijftien jaar gewend aan 1,2 of 1,3 procent, vanaf 2007 zou de productiviteit toenemen tot 1,7 procent per jaar. De marktsector trekt dit gemiddelde omhoog, terwijl de niet-marktsector – vooral: publieke diensten, onderwijs, gezondheidszorg – het gemiddelde fors omlaag trekt.

Nemen we de twee groeibepalende factoren samen, dan tellen groei arbeidsaanbod (0,5) en groei arbeidsproductiviteit (1,7) op tot 2,2 procent. Omdat de groei van het arbeidsaanbod in arbeidsjaren (0,4) kleiner is dan in personen (dat halve procent) en omdat alle Nederlandse werknemers naar verwachting toch weer iets meer in deeltijd gaan werken dan nu (min 0,2 procent), komt het totaal op afgerond twee procent economische groei voor Bos I of Balkenende III.
De structurele groei in de komende kabinetsperiode valt daarmee veel lager uit dan in de jaren negentig, toen percentages de 2,5 te boven gingen, en iets hoger dan in de periode Balkenende II (1,8 procent).

Waarom is die twee procent toch eerder te hoog dan te laag? Omdat de daling van het arbeidsaanbod een vrij ‘hard’ gegeven is en de verwachte productiviteitsgroei niet. De versnelling van de productiviteitsgroei wordt volgens het CPB in de marktsector vooral veroorzaakt door extra investeringen – een vrij plausibel verhaal – maar de grote klapper zit in de publieke sector, met name de zorg. Krimpt de arbeidsproductiviteit in de zorg onder Balkenende II met 0,4 procent, in de volgende kabinetsperiode zou de productiviteit jaarlijks met 0,3 procent gaan stijgen. Soortgelijke veranderingen, met minder geprononceerde getallen, gelden voor de rest van de publieke sector. Ik zou dolgraag geloven dat dit ook echt gaat gebeuren. In de zorg is in elk geval een mechanisme geïntroduceerd – de gereguleerde marktwerking – die dit zou kunnen gaan bewerkstelligen (zie ook de column van vorige week), maar de eerste resultaten (op dit vlak) moeten nog worden geboekt. Voor het overige lijken het me heroïsche veronderstellingen.

Daarom denk ik dat de verkiezingsprogrammaschrijvers en de toekomstige premier er goed aan doen met 1,75 te rekenen in plaats van twee. ‘Behoedzaam’ komt dan uit op 1,5 procent groei. Tenzij politici met een steengoed verhaal komen om de productiviteit in de publieke sector op te voeren – een mooie uitdaging.