VN MediagidsAfscheid van de aanrechtsubsidie
Economie 29.09.2007
De hoofdlijn van de Miljoenennota 2008 mag dan wezen dat het kabinet een wat dommig links beleid wenst te gaan voeren, dat wil niet zeggen dat er geen onderdelen zijn van het voorgenomen beleid die van harte moeten worden toegejuicht.
Een voorbeeld hiervan is de afschaffing – geleidelijk in vijftien jaar – van de ‘aanrechtsubsidie’ die vrouwen stimuleert om af te zien van deelname aan het arbeidsproces. Maar ook voor zo’n op zichzelf wenselijke beleidsdaad geldt dan weer: mag het een beetje flinker alsjeblieft.
Eerst de feiten. In de Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB) – een document dat traditiegetrouw ook op Prinsjesdag gepubliceerd wordt – is een speciaal hoofdstuk gewijd aan de arbeidsparticipatie van vrouwen. Het CPB kijkt achteruit, en analyseert beleidsopties voor de toekomst.
De recente geschiedenis van de arbeidsparticipatie van vrouwen is natuurlijk algemeen bekend, maar daarmee niet minder spectaculair. In 1992 werken 48 op de honderd vrouwen in de leeftijd van 18 tot en met 64 jaar; in 2005 61 op de honderd, wat overeenkomt met een gemiddeld groeipercentage van twee per jaar over de hele periode.
Hierbij doen zich opvallende verschijnselen voor. Ten eerste: de groei van de arbeidsparticipatie is onafhankelijk van opleidingsniveau. Vrouwen met alleen basisschool zijn net zo goed vaker gaan participeren als vrouwen met een universitaire graad. Ten tweede: kinderen in het huishouden zijn steeds minder een belemmering om te participeren. De groei van arbeidsparticipatie van vrouwen zonder kinderen is relatief bescheiden (gemiddeld 0,8 procent per jaar), maar de vrouwen mét kinderen gingen massaal buitenshuis aan het werk (meer dan drie procent groei per jaar).Bij grote gezinnen is de groei in arbeidsparticipatie het hoogst: de arbeidsparticipatie van vrouwen met drie of meer kinderen steeg van 29,2 procent in 1992 naar 53,4 procent in 2005.
Even indrukwekkend als de groei van de participatie is de volharding in het deeltijdwerk. Vrouwen zonder kinderen, die in 1992 de omvangrijkste contracten hadden (dertig uur per week gemiddeld) zijn flink veel minder uren gaan werken: 27,6 uur in 2005.Voor de vrouwelijk werknemers in totaal geldt een afname van de gemiddelde werkweek van 26,8 naar 25,5 uur.
De participatiesprong, berekende het CPB, heeft Nederland geen windeieren gelegd. De feitelijke economische groei tussen 1990 en nu bedroeg gemiddeld 2,3 procent per jaar. Maar als de arbeidsparticipatie van vrouwen op het niveau van 1990 was blijven steken, was de groei beperkt gebleven tot een jaargemiddelde van 1,7 procent. Nederland dankt dus grofweg een kwart van de economische groei sinds 1990 aan de toenemende participatie van vrouwen. Anders gezegd: was de participatie niet gestegen dan was het nationaal inkomen nu acht procent lager, een slordige 45 miljard euro.
Helaas: de vrouwen zijn op. Dat wil zeggen: de spectaculaire groei van de arbeidsparticipatie van vrouwen loopt – zonder aanvullend beleid – op zijn eind. De voorkeuren van vrouwen voor deeltijdwerk zijn stabiel voor alle cohorten die zijn geboren na 1950. Er wordt daarom in de toekomst alleen nog wat participatiewinst geboekt doordat oudere cohorten vijfenzestig jaar worden en jongere cohorten, die meer participeren dan de uitstromers, de arbeidsmarkt betreden.
Het meest probate middel om het tij te keren, analyseert het CPB, is het afschaffen van de ‘uitbetaling van de algemene heffingskorting’ oftewel de aanrechtsubsidie, die het kabinet dit jaar 1,6 miljard euro kost. Nu kunnen vrouwen zonder of met een zeer klein inkomen hun heffingskorting nog overdragen aan hun wel verdienende partner, die daarom minder belasting hoeft te betalen. Als dat overdragen van de heffingskorting helemaal wordt afgeschaft, berekende het CPB, kan de participatiegraad met nog eens 6,7 procent toenemen.
Het kabinet neemt dit idee dus over, ware het niet dat de overgangstermijn vijftien jaar is, en mensen met jonge kinderen zijn uitgezonderd, evenals vrouwen die zijn geboren vóór 1972. Dat is dus drie keer water bij de wijn, waardoor een zeer scherp instrument nodeloos bot wordt gemaakt. Bij de uitzondering voor gezinnen met zeer jonge kinderen kan ik me nog iets voorstellen, maar er lijkt weinig tegen de overgangstermijn te beperken tot vijf jaar. De leeftijdsgrens van 35 jaar lijkt me evident onzinnig. Oprekken van die grens tot 55 jaar lijkt me redelijker.
Het kabinet, kortom, heeft naast veel sulligs ook effectief beleid in petto. Maar echt doorpakken is er ook hier niet bij.
