Toevallige ontmoetingen


03-05-2008

Bulag, een volkswijk in het centrum van Kaïro. Dwars door de wijk loopt diagonaal een smalle drukke weg van twee verdiepingen. Deze weg veroorzaakt buiten de gassen en het stof vooral een onmogelijke hoeveelheid kabaal. De auto's toeteren alsof het hun gaspedaal is.

Ik ben bezig met het maken van een wandeling waar ik later weer een tekening van maak, daarom schrijf ik op wat ik zie en denk en hoe ik precies loop. Ik gebruik hiervoor een clipboard, een plankje met aan de bovenkant een klem waar mijn papier onder zit. Ik loop weg van de drukke straat in de kleinere straatjes van deze buurt. Het verschil tussen de drukte van net en het kleinschalige waar ik in interecht kom, is overweldigend. Niet alleen heb ik het gevoel terug te gaan in de tijd, maar ook ben ik niet meer in een miljoenenstad, maar op het platteland in een dorpje. Geiten lopen in een kuddes over straat, ik hoor vogels fluiten en de mensen op straat vragen zoals alleen dorpelingen dat doen wie ik ben en wat ik kom doen.

Nu begin ik te leren in deze stad dat je alles weg kan wuiven met een grapje. Mensen begrijpen grapjes hier zoals in mijn eigen stad. Ik loop door. De straten die ik volg vertakken zich als de wortels van een boom. Steeds smaller verder en dieper.

Zoals een pad in het bos kan verdwijnen in haar omgeving zo lossen de straten hier op in voorportalen of binnenplaatsjes bij huizen. Het is onduidelijk te zien waar iemands huis begint en de straat ophoud. Ook de sfeer verandert, kon ik eerst lachen met de mensen die ik tegenkwam, nu vragen ze wat ik zoek. Mijn aanwezigheid is niet meer vrijblijvend, deze straten zijn niet van iedereen.

Een jongen met een vriendelijk gezicht spreekt mij aan. Ik vertel waar ik ongeveer heen wil. Hij wijst mij de weg, maar als ik zijn raad zou opvolgen zou ik dezelfde terug moeten lopen als ik gekomen ben, en omdat ik een tekening maak van deze wandeling wil ik niet dezelfde weg twee keer af te leggen. Ik wijs daarom de andere kant op richting een poortje onder een gebouw door. Hij zegt dat ik zo wel kan lopen maar dat het erg ingewikkeld is. Ik vraag of hij mij de weg wil wijzen maar hij heeft geen tijd, hij moet naar zijn werk.

Ik loop het poortje door, het is donker en koud. Achter de muren hoor ik mensen praten alsof ik naast ze zit. Ik loop voorbij wat mannen die aan de straat op stoelen zitten. Weer de vraag 'What are you doing?'. Ze roepen iets dat ik niet kan verstaan en lachen daar met z'n allen om. Ook hoor ik iemand roepen 'Are you an engineer?'. Ik lach hun kant op zonder antwoord te geven en loop door.

Splotch. Uit het niets voel ik dat er iets met een grote vaart tegen mijn achterhoofd slaat, en dan valt dat wat me geraakt heeft voor mij langs, tegen mijn arm, op de grond voor mij.

Ik sta stil en kijk vol ongeloof wat er op straat ligt. Het is een dode rat! Ik kijk achterom maar zie niets, geen smalende gezichten. ik kijk naar boven, maar ook boven is niets te zien. Ik voel me wel meteen ontzettend vies. Ik hou nu mijn clipboard boven mijn hoofd als bescherming en loop door. Naast mij komt een klein jongetje lopen hij is een jaar of tien en vraagt hoe ik heet. 'Who did this' zeg ik, terwijl ik vooral door blijf lopen, 'who threw the rat?'. Het jongetje zegt, 'I am very sorry for you, but what is your name?'.

De rest van de wandeling is gekleurd door dit incident, de stad is opeens gevaarlijk, de mensen vijandig en ondanks het vele water met zeep voel ik mij heel nog steeds erg smerig. Terug in mijn eigen buurtje, kom ik Ayman, tegen. Hij oppert dat het misschien een ongelukje was, mensen gooien immers zo vaak dingen uit het raam zonder te kijken of daar misschien net een buitenlander loopt die aantekeningen aan het maken is. Toeval was een mogelijkheid waar ik nog niet aan had gedacht. Dit stelt me wel gerust. Laat ik er maar van uitgaan dat het een ongelukje was, geen kwade mannen die dachten dat ik hun buurt aan het opmeten was voor een of ander bouwproject. Nee, gewoon iemand die een dode rat vond op zijn dak of in de keuken en het beest de lucht in smeet om er vanaf te zijn. Maar nu ik dit opschrijf bedenk ik dat ratten geen echte klimmers zijn toch?

22-03-2008

Sommige mensen gaan naar het strand of maken een wandeling door het bos om te ontsnappen aan de dagelijkse sleur van het leven. Ik ga naar grote steden om tot mezelf te komen.

Ik was vorige week een paar dagen in Parijs. Ik had geen plannen. Maar toen ik na het ontbijt de kaart van Parijs openvouwde zochten mijn ogen naar het huis van Eleonore, een jeugdliefde. Waar woonde ze ook alweer precies, hoe zou het met haar zijn? Wandelend door Parijs speelde ik steeds met de gedachte dat ik tegen haar aan zou botsen. Dat we even beduusd waren maar dan weer verder zouden gaan waar we bijna dertig jaar geleden opgehouden waren. In mijn gedachte was ze nog steeds een meisje en niet de volwassen vrouw die ze moest zijn. Ik vroeg me af of ik haar überhaupt wel zou herkennen.

Op de kaart zocht ik het metrostation waar ik toen altijd uitstapte. Ik las namen van de metrohaltes die bekend voorkwamen: St. Fargeau, Gambetta, Pelleport. Sommige namen las ik hardop in de hoop dat dit een herkenning zou oproepen. Uiteindelijk besloot ik af te reizen naar St. Fargeau.

In de metro kwam na een paar haltes een jongen van begin twintig tegenover mij zitten. Zijn haar was nog nat. Toen hij opstond moest ik er ook uit. We liepen langs dezelfde trap naar boven. Buiten op straat stond ik naast hem voor het stoplicht te wachten en liep net als de jongen langs een boulevard met veel verkeer omhoog. Toen hij rechtsaf een stille straat inliep deed ik dat ook. We liepen nu naast elkaar langs een slager en een Algerijnse groenteboer die zijn fruit op straat had uitgestald. Op de hoek bij een Bar-Tabac bleef de jongen staan en keek mij onderzoekend aan. Ik glimlachte, wilde iets zeggen, maar hij keek snel weg en stak de weg over.

Ik bleef op de hoek staan en keek om mij heen. Als een oud verhaal dat weer op gang komt herkende ik de winkel met ijzerwaren weer, de huizen en hoe het licht viel in de straat. Ik had het allemaal al een keer eerder gezien. Dit moest de straat zijn waar ik vaak doorheen gelopen ben.

Even later zag ik het pand waar mijn vriendin destijds woonde en ik logeerde. Bij de voordeur zocht ik tevergeefs haar naam. Ik liep naar de overkant van de straat en keek omhoog naar de ramen waar zij toen woonde. Toen verscheen opeens die jongen uit de metro voor het raam. We keken elkaar even aan, toen trok hij met een ferme ruk de gordijnen dicht.

03-03-2008

Nieuwe schrijvers vind ik meestal niet door een recensie in de krant of omdat er reclame voor wordt gemaakt. Vaker is het een toevallige samenkomst. Deze ontmoetingen vinden soms plaats in bibliotheken waar ik dingen vindt die voor mij daarvoor nog niet bestonden. Het is deze manier van struinen in bibliotheken, tweedehands boekenzaken en boekenkasten op logeerkamers dat ik schrijvers ontdek die bij mij blijven.

Eén van mijn nieuwste schrijvers is een dode schrijver. Ik vond een boek van hem terwijl ik op een bananenpannekoek aan het wachten was in de heuvels van Sri Lanka. Het eethuisje met een paar tafeltjes was opgetrokken uit bamboe en hing vol met vlaggen en posters van Bob Marley.
De jongen vroeg nadat ik mijn bestelling bij hem had gedaan of ik alvast kon betalen omdat niet alleen de melk maar ook het geld op was.

In het eethuisje stond een scheef kastje met wat boeken en tijdschriften die bezoekers hadden achtergelaten. Veel van de boeken die je op de toeristische routes vindt ken ik wel, maar tussen al die afgekloven lectuur vond ik ook iets verrassends. Het was een heruitgaven van een boek dat in 1930 is geschreven door de Engelse schrijver W. Somerset Maugham. ‘The Gentleman in the Parlour: A Record of a Journey from Rangoon to Hongkong’

Ik sloeg het halverwege open en las over Bangkok, een stad waar ik zelf een jaar geleden voor het eerst was. Het trof me hoe zijn beschrijving van Bangkok overeen kwam met mijn beleving van de stad tachtig jaar later.

It is impossible to consider these populous streets modern cities of the east without a certain malaise. They are all alike, with their straight streets, their arcades, their tramways, their dust, their blinding sun, their teeming Chinese, their dense traffic, their ceaseless din, they have no history and no traditions. Painters have not painted them. No poets, transfiguring dead bricks and mortar with their nostalgia have given them a tremendous melancholy not their own, they live their own lives, without associations, like a man without imagination. They are hard and glittering and as unreal a backcloth in a musical comedy. They give you nothing.

But when you leave them it is with a feeling that you missed something and you cannot help thinking that they have some secret that they kept from you.

And though you have been trifle bored you look back upon them wistfully; you are certain that they have after all something to give you which, had you stayed longer or under other conditions you would have been capable of receiving. For it is useless to offer a gift to him who cannot stretch out a hand to take it.


Als ik mijn bananepannenkoek allang op heb en nog steeds in het boekje zit te lezen, zegt de jongen van het eethuisje dat ik het boekje mee mag nemen, maar dat hij nu toch echt gaat sluiten.

25-12-2007

Een jonge vrouw uit Leipzig met modern rechtgeknipt haar, blauwe oogschaduw en rode lippen. We staan na afloop van een lezing over het einde van de wereld aan de bar van een kunstcentrum in Gemmayzeh. Ze is al ruim drie maanden in Libanon en vertelt dat ze Beiroet een fantastische maar ook moeilijke stad vindt. Waarom? Ze zoekt het Engelse woord maar antwoordt dan in een zingend soort Duits. ‘Geleikzeitigkeit’, alles gebeurt hier tegelijk.

24-12-2007

In een stille maar dichtbevolkte woonwijk staat een groepje mannen sigaretten te roken onder het afdakje van een appartementengebouw. Ze staan met hun handen in de zakken en kijken mij argwanend aan als ik aan kom lopen. Als ik ze aanspreek om de weg te vragen blijken ze niet alleen schuchter maar vooral nieuwsgierig te zijn. Waar ik dan vandaan kom en of ik geen journalist ben. Een kunstenaar?

Als ik hun sigaretten heb afgeslagen, hun handen geschud en verder wil gaan, attenderen ze me nog even op een groepje mannen dat verderop in de straat staat te kijken naar ons. Die mannen daar, zeggen ze nu iets zachter, zijn niet zo aardig als wij. Ze zijn ze niet vertrouwen dus pas op.’

23-12-2007

Een paar jaar geleden was ik een paar dagen in Istanbul. Het was koud en regende. Als ik terugdenk aan dat bezoek, zie ik niet de moskee voor me die ik heb bezocht. Ik herinner mij ook het hotel niet meer waar ik sliep en de tentoonstelling waarvoor ik daar was, is een schim in mijn geheugen. Vreemd genoeg herinner ik mij maar één ding echt heel goed.

Een man die ik zag op een brug waar ik die ochtend overheen liep. De man met grijzend haar droeg een donker pak en keek ernstig voor zich uit. Hij zag eruit als iemand die verwacht had zijn hele leven op een kantoor te blijven werken maar onverwachts ontslagen was. Voor hem op straat lag een plastic zeiltje met spullen die hij daar op die brug te koop aanbood. Een wollen trui keurig opgevouwen, een blauwe broek languit met glimmende knieën, drie hoge glazen met bovenop een gouden randje en recht voor hem op het zeiltje een paar zwarte herenschoenen opnieuw gepoetst.

Toen ik aan het eind van die dag weer terugliep stond de man nog steeds op dezelfde plek. Zijn trui, de broek, glazen en zelfs het plastic zeiltje waar alles op lag was weg. Het enige dat nu nog voor hem op de straat stond waren zijn oude schoenen, in afwachting, alsof hij er alleen maar even uit was gestapt.

03-12-2007

Een maand geleden op mijn racefiets in de polders ten zuiden van Amsterdam kwam ik een kennis tegen die daar aan het wandelen was. Ik stopte en we maakten een praatje en terwijl hij zijn camera uit zijn rugtas tevoorschijn haalde, vroeg hij of ik zo wilde blijven staan.

Vorige week stuurde hij de foto op. Ik sta midden op een smalle weg met mijn racefiets in mijn handen. De teruggetrokken kleuren van het winterse landschap en de grijze wolken steken mooi af tegen het warme rood van mijn windjack. Mijn haren staan, door de wind recht omhoog, ik oog wat ouder maar dit alles gaat voorbij aan de bezwaren van ijdelheid omdat ik overduidelijk gelukkig ben.

Mijn eerste reactie was om de foto naar mijn moeder door te sturen, maar zij is al zes jaar dood. Terwijl ik mij afvroeg waarom ik per se deze opname naar haar wilde sturen keek ik naar de foto van haar naast mij aan de muur.

Ze kijkt van dichtbij de lens in terwijl ze een glas wijn tegen haar mond zet. Deze foto is minstens vijftien jaar geleden genomen en is dus wat leeftijd betreft niet representatief. Toch is het deze foto die ik, maar ook andere mensen, gebruiken als visuele herinnering aan haar.

In bijna ieder huis staan foto’s van mensen die er niet meer zijn. Zo ken ik iemand die al jaren een foto van zijn jong gestorven broer op zijn bureau heeft staan. De broer leunt achteloos tegen een hekje waarachter een onheilspellend diep dal te zien is. In een ander huis waar ik vaak kom, staat een foto van een vrouw, ze lacht. Ook dit is duidelijk een portret van iemand die er niet meer is.

Ik weet niet of het nou een bepaald soort foto’s zijn waarmee mensen herinnerd worden of dat het de manier van presenteren is, wat bepaalde afbeeldingen tot herinneringsportretten maakt?

Terug naar de foto van mij in het Hollandse landschap. Stel dat ik er morgen niet meer ben. Dan hoop ik dat het deze foto is waarmee ik herinnerd zal worden.

11-11-2007

Het is zondagmiddag 1 uur. Een vrouw met lang blond haar zit in de lijn 2 op weg naar het centrum van de stad. Als de tram op de Willemsparkweg tot stilstand komt stapt er een vrouw met een grote blauwe weekendtas in.

De vrouwen groeten elkaar. De vrouw met tas komt naast haar op het bankje zitten en duwt haar tas zo goed als het kan tussen haar benen op de grond. Als ze zit en de rits van haar jas geopend heeft, vraagt ze: 'hoe gaat het?' aan de vrouw naast haar.

De blonde vrouw vertelt eerst over haar nieuwe baan en dan de man waar ze jarenlang een relatie mee had maar die toch bij zijn echtgenoot blijft. Ook vertelt ze dat Rosanne haar oudste dochter nu al zeven weken helemaal alleen door India reist.

De vrouw met de grote tas is even stil en zegt dan: 'Nou met mij gaat het ook zoiets', en gaat iets rechter zitten. 'Jaap is nu eindelijk echt de deur uit, de dokter zegt dat mijn rugpijn psychisch is en volgend jaar zal ik een andere baan moeten zoeken omdat mijn contract niet word verlengd.'

De tram stopt. De vrouwen kijken naar de mensen die de tram binnenkomen. Als de deuren weer sluiten en de tram op vaart komt vraagt de vrouw met de grote tas:
'Maar waar kennen wij elkaar ook alweer precies van?'
'Jij zat toch op het Amsterdams Lyceum?' zegt de blonde vrouw.
De vrouw met de grote tas schudt haar hoofd heen en weer.
'Tennis! Jij zat bij Goldstar in Buitenveldert, ja natuurlijk, nu weet ik het weer, we hadden les van die grappige vent, kom, hoe heet hij ook alweer.'
Maar de vrouw met de grote tas schudt nog steeds met haar hoofd en mompelt zachtjes de naam van de tennisvereniging alsof het iets is dat ze vergeten zou kunnen zijn.

Dan zeggen de vrouwen niets meer. De tram rijd het Leidseplein op. Een man in een schotse rok blaast op een doedelzak. Er zijn wat Ajax supporters met glazige ogen, blikjes bier in de hand. De twee vrouwen die nog steeds dicht tegen elkaar op het bankje zitten, glimlachen nu ongemakkelijk naar elkaar als hun blikken kruisen.
Als de tram even later op het Koningsplein stopt, vraagt de vrouw met het lange blonde haar: 'Wat ga je nu doen?'
'Zo meteen bedoel je?', zegt de vrouw verbaasd. 'Ik ga naar mijn moeder, die woont in Bussum. Ik probeer elke week te gaan. Ze is niet meer zo goed. Ik help een beetje in huis en daarna eten we altijd wat samen. En jij?'
'Ik ga naar de Bijenkorf, ik heb een nieuwe winterjas nodig.'
'Oh dan moet je er zo uit.'
'Ik vond het leuk om je te leren kennen' zegt de blonde vrouw.
'Ja grappig,' zegt de vrouw met de grote tas glimlachend.
'Zullen we een keer koffie drinken, gewoon als nieuwe bekenden?' zegt de blonde vrouw.
'Nieuwe bekenden, dat lijkt mij een goed idee.'

De vrouw met de weekendtas staat op ruimte te maken. Als ze tegenover elkaar in het gangpad staan, haalt de vrouw met het blonde haar een kaartje uit haar portemonnee.
'Nieuwe bekenden hè,' zegt de vrouw met de grote tas als ze het kaartje aanpakt.
De tram stopt. De deur schuift sissend open en de vrouw met het blonde haar verdwijnt tussen de mensen op straat.

Als de vrouw met de grote tas weer zit, kijkt ze naar het visitekaartje in haar hand. Als ze de naam op het kaartje leest herinnert ze met een schok waarom ze elkaar vergeten zijn.

05-11-2007

De trein moest plots remmen en nu staat die al meer dan 15 minuten stil langs een sloot bij wat koeien tussen Eindhoven en Weert. Tegenover mij zit een kalende man met een jong gezicht. Ik denk de muziek te herkennen die uit zijn koptelefoon ontsnapt en vraag als hij deze afzet waar hij naar luistert.

‘Het is een soundtrack van een Duitse film, iets uit de jaren tachtig. Ik ben de titel even vergeten en heb de film nooit gezien, maar de muziek is mooi.’
Hij luistert alleen maar naar soundtracks vertelt hij later. ‘Ik heb er nu ongeveer twee en een half duizend op alfabet staan.’ Hij luistert altijd in de trein maar ook op straat of als hij iets moet doen. Hij luistert alleen niet naar soundtracks als hij op het kantoor is omdat dat niet kan. ‘Filmmuziek’, zegt hij, ‘geeft mij een gevoel van bestemming alsof het ergens heen gaat.' Dan kijkt hij naar buiten.

De koeien staan nog steeds gras te malen met hun lome kaken, in de verte is een boer bezig met zijn tractor en daarachter tussen de bomen flitsen de auto’s voorbij die over een snelweg rijden.

‘Drama’, zegt hij dan opeens met een iets zwaardere stem, ‘is geen gebeurtenis, maar een sfeer.’ En op dat moment komt de trein weer met een schok in beweging en zet hij zijn koptelefoon weer op zijn hoofd.

30-10-2007

‘Ik liep door de Utrechtsestraat op een vrijdagmiddag toen iemand mij op de schouder tikte. Toen ik mij omdraaide stond daar een grote man. ‘Hé’ zei hij terwijl hij zijn armen spreidde. Hij had blond haar tot op zijn schouders en lachte zijn grote tanden bloot.

‘Zag je me niet?’ Hij droeg een lange beige jas, een vale spijkerbroek met laarzen.
Ik herkende hem niet maar zei enthousiast, in de veronderstelling dat dit zo wel zou komen: ‘Oude boef, hoe gaat het met jou?’
Het klinkt persoonlijk, maar dat is het dus niet. Oude boef is een term die ik vaker gebruik als ik mensen hun naam vergeten ben en toch de indruk wil wekken persoonlijk te zijn.
In Berlijn of Parijs is het anders. Daar reageren zelf de mensen die je wel kent eerst alsof je een onbekende bent op straat. Maar de inwoners van een kleine stad als Amsterdam zijn gemoedelijk, ze willen aardig zijn en doen hun best.

Daarom vroeg ik aan deze onbekende blonde man hoe het met hem ging.
‘Goed.’ zei hij en kneep daarbij zijn ogen iets toe. ‘Heel goed zelfs’ maar de tweede keer zag ik hem slikken en zijn gezicht betrekken.
‘Echt?’ vroeg ik nu met een mix van medelijden en nieuwsgierigheid.
Hij knikte langzaam alsof hij ergens aan dacht en legde toen zijn grote hand op mijn schouder.
‘Ik ben zo blij om je weer te zien’ zei hij. ‘Je mag best wel weten dat ik nog vaak denk aan toen.’
Nu waren mijn sociale vondsten even zoek. Ik dacht ook aan toen, alle toenen die mijn leven heeft gekend maar in geen van alle zag ik hem, de man die nu voor me stond.

Toch voelde ik een weemoed in mij opkomen en moest ook denken aan toen. Zo bleven we even staan. Hij met zijn hand nog steeds op mijn schouder en ik met een begrijpende glimlach op mijn mond.
‘En hoe is het nu met Saskia’ vroeg hij toen opeens.
‘Saskia?’ stamelde ik, niet bedacht op zo een directe vraag.
‘Jullie zijn toch nog wel samen?’
Ik voelde mijn gezicht rood worden.
De man trok zijn hand van mijn schouder, deed een pas terug en vroeg: ‘zijn jullie ook uitelkaar?’

Nu is de grootste handicap van een fantast dat als hij eenmaal in zijn leugens verstrikt raakt, hij geen uitweg meer ziet. Hij zou zonder gezichtsverlies kunnen zeggen dat het een misverstand is, maar in plaats daarvan gaat hij nog meer verzinnen. Hij stapelt verhaal op verhaal, in de veronderstelling dat aan het eind van al die verzinsels de leugen vanzelf weer waarheid wordt.
Daarom zei ik waarschijnlijk: ‘Natuurlijk zijn we nog samen!’

10-08-2007

De houten promenade van Coney Island ligt er bij als een oude schuur. Hij is verzakt en door de gaten in het dek zie je het zwerfvuil liggen dat zich eronder verzameld heeft. Bij een gat waar de planken geheel verdwenen zijn heeft iemand als waarschuwing een vuilnisbak neergezet.

Het is een hoogzomer, zondagochtend elf uur. Mensen komen in drommen uit het metrostation tevoorschijn en sjouwen hun grote tassen, parasols en vierkante koelboxen naar de smalle strook tussen land en zee.

Op de boardwalk zit in een oude man in zijn zwembroek op een bankje in de zon. Hij kijkt naar de mensen die voorbij komen. Zijn been heeft hij over het andere geslagen, een slipper bungelt losjes aan zijn voet.

Zijn huid heeft de kleur van het bankje waarop hij zit aangenomen. Net als het hout is zijn huid verweerd door de uren zon en zeelucht waaraan deze is blootgesteld. De rimpels lopen over in de nerven van het hout. En zijn ogen zijn net zo blauw als de uitgebleekte lucht boven hem.

Hij glimlacht beschaamd als ik naar hem kijk, alsof ik hem betrap op iets. Hij maakt zich breed door zijn armen op de rugleuning van het bankje achter hem te leggen alsof hij wil laten zien dat niet alleen dit bankje maar de hele wereld van hem is.