VN MediagidsHet dubbelspel van Frans van A.

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Buitenland / Politiek / Irak / AIVD / Wapenhandel 08.01.2005

Door Ko Colijn / Harm Ede Botje

De Nederlandse zakenman Frans van A., die de vorige maand werd gearresteerd wegens zijn aandeel in het chemische-wapenprogramma van Saddam Hoessein, werd beschermd door de AIVD. Een geval van dubbelspel zoals dat in de wereld van de wapenhandel veel vaker blijkt voor te komen.

Op dinsdag 7 december werd de Nederlander Frans van A. gearresteerd. Hij stond op het punt te vluchten, zijn koffers stonden al in de gang. De beschuldiging: medeplichtigheid aan genocide door zijn aandeel in het chemische-wapenprogramma van Saddam Hoessein. In de jaren tachtig zou Van A. vijfhonderd ton thiodiglycol hebben geleverd waarmee Irak gifgas kon maken. Saddam was begin jaren tachtig een oorlog tegen buurland Iran begonnen en deinsde niet terug voor bombardementen met mosterdgas. Dat gif gebruikte hij ook in de strijd tegen de opstandige Koerden in eigen land – de aanval op het stadje Halabja in 1988 leidde internationaal tot grote verontwaardiging. Op televisiebeelden was te zien hoe de straten bezaaid waren met opgezwollen, blauw uitgeslagen lichamen van mensen die aan het gas waren bezweken.

Van A. heeft nooit ontkend dat hij zaken met Irak deed. ‘Als ik niet had geleverd, had een ander het wel gedaan,’ zei hij eind 2003 in een uitzending van Netwerk.

Twee weken geleden lekte uit dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) banden onderhield met Van A. De zakenman woonde de afgelopen jaren in een buitenwijk van Bagdad. In 1989 werd hij in Milaan gearresteerd op verzoek van de Amerikanen. Toen hij in afwachting van zijn uitlevering werd vrijgelaten, ontkwam hij naar Irak. In maart 2003, vlak voordat de Amerikanen Irak de oorlog verklaarden, werd de grond hem te heet onder de voeten. Hij vluchtte opnieuw, met hulp van de Nederlandse ambassade die hem uitreispapieren verschafte. De afgelopen maanden woonde hij in een zogenaamd ‘safehouse’ van de AIVD in Amsterdam.

Waarom kreeg de Nederlandse wapenhandelaar tot aan zijn arrestatie bescherming van de AIVD? Werd hier dubbelspel gespeeld?

Dat is wel zeker. En het is nog niets bijzonders ook. Van A. was in de jaren tachtig een ideale informant omdat hij contact had met Saddams wapeninkopers. Westerse landen stonden in die jaren, vriendelijk gezegd, ambivalent tegenover het regime van Saddam Hoessein. Iedereen was bang voor de dictator, maar de angst voor de ayatollahs uit Teheran was minstens zo groot. Daarom besloten de Verenigde Staten en Groot-Brittannië dat geen van beide landen de oorlog mocht winnen. Saddam en Khomeiny konden, ondanks een wapenembargo, via discrete omwegen toch nog van alles aanschaffen. Onder het motto: goed voor de eigen wapenindustrie van de Britten en Amerikanen, en goed om zélf als hofleverancier een oogje op Saddam en Khomeiny te houden. ‘Regime change’ in Irak en Iran werd in die jaren te riskant gevonden; beide regimes manipuleren, leek een nuttig alternatief.

Het dubbelspel Iran-Irak vereiste wel behoedzaamheid. Het publiek zou maar weinig begrip kunnen opbrengen voor wapenleveranties aan oorlogvoerende partijen. Beide regimes waren wreed tegen hun eigen onderdanen en werkten aan massavernietigingswapens. Zulke regimes via illegale wapenhandel helpen, was in westerse landen niet alleen moreel en politiek verwerpelijk, maar ook een misdrijf – al was het maar omdat de wapens misschien ook nog eens tegen jezelf gebruikt konden worden. De wapenhandelaars mochten dus spelen met vuur, maar rugdekking van de overheid kon niet altijd gegarandeerd worden. De linkerhand van de overheid kon en mocht niet weten wat de rechterhand uitvoerde.

Het dubbelspel kan op twee manieren gespeeld worden. Je kunt de wapenhandelaars hun gang laten gaan, maar voor het publieke geweten af en toe een nuttige idioot voor de rechter slachtofferen. De tweede manier is ingewikkelder. Dan organiseer je de wapenhandel als overheid helemaal zelf: je richt bedrijfjes op die via zorgvuldig opgezette sluipwegen en papieren constructies uiteindelijk doen waarvoor ze bestemd zijn, namelijk de vijand aan het lijntje houden. De bedrijven hoeven er zelf niet eens van op de hoogte te zijn. Dat maakt de kans op ontsporingen kleiner, maar áls het ooit uitkomt, is de schade voor de overheid natuurlijk des te groter.

Ook Nederland deed in die roerige jaren tachtig mee aan het spel, vooral in de eerste variant. Van A. is daarvan een mooi voorbeeld, maar zeker niet het enige. Natuurlijk had Van A. in de jaren tachtig al vervolgd kunnen worden. In die jaren was de financiering van driehoekshandel in strategische goederen (bijvoorbeeld: vanuit Nederland zorgen dat een Amerikaanse partij chemicaliën in Irak wordt afgeleverd) al verboden. Daar was een vergunning van de minister van Financiën voor vereist. Thiodiglycol stond sinds 13 april 1984 op de zwarte lijst van dergelijke goederen. Als Van A. destijds ook maar één gulden in die handel, die over België en Italië liep, heeft geïnvesteerd, was hij al in overtreding.

Twee jaar later werd het Arnhemse bedrijf Melchemie voor precies dat vergrijp veroordeeld tot honderdduizend gulden boete en een jaar voorwaardelijke stillegging. Ook Melchemie liet een paar zendingen met zogenaamde voorlopers van gifgas over Italië naar Saddam Hoessein lopen. De CIA was daarvan op de hoogte. Zelfs nog voordat Irak bij Melchemie aanklopte, had ‘de dienst’ het Haagse ministerie van Buitenlandse Zaken al gewaarschuwd dat Melchemie mogelijk een order voor fosforchloride zou krijgen. Op 2 april 1984 lichtte Buitenlandse Zaken het bedrijf zelfs in en waarschuwde: doe het niet! Melchemie accepteerde de order toch en werd voor de rechter gesleept. Het bedrijf reageerde verongelijkt en voerde aan dat het slachtoffer was van een soort showproces om de Nederlandse bevolking een goed gevoel te geven. De advocaat herinnerde eraan dat Philips wel achtenzestig keer het wapenembargo tegen Iran had overtreden maar daar een veel lagere straf voor had gekregen. Conclusie: het nietige Melchemie was blijkbaar de ideale zondebok. En met de kennis van nu: Melchemie was ook minder interessant voor de geheime diensten dan Frans van A. Die deed zaken met hoge militairen, terwijl Melchemie ‘slechts’ onderhandelde met het ministerie van Onkruidbestrijding.

Een ander Nederlands bedrijf, Oldelft, was in de jaren tachtig ook interessant voor de geheime dienst. Althans, dat bleek uit een notitie van president-directeur ir. S. Duinker, die later uit de processtukken tegen de Delftse fabrikant van nachtkijkers te voorschijn kwam. Oldelft leverde via duistere tussenstations de verboden kijkers en periscopen aan Irak. Daar werden ze onder andere op sovjettanks gemonteerd, zodat de Republikeinse Garde ook ’s nachts tegen Iran kon vechten. Toen het bedrijf daarvoor strafrechtelijk vervolgd werd, schreef Duinker daarover een verbitterd memo (22 maart 1983 DrD/TS, Standpunt Oldelft, ‘streng vertrouwelijk’): hij zat nu in de beklaagdenbank, maar evengoed had de Inlichtingendienst Buitenland, ressorterend onder de minister-president, in Irak geprobeerd om technische medewerkers van Oldelft als informant te werven. Tijdens het proces, waarin Oldelft aan de schandpaal werd genageld, werd deze troefkaart niet uitgespeeld. Not done, je kunt elkaar altijd weer tegenkomen in de jungle van de internationale wapenhandel. You win some, you loose some.

De Britse en Amerikaanse regering gingen vaak nog verder. Halverwege de jaren tachtig besloten zij dat Saddam en Khomeiny ook maar beter vanuit westerse fabrieken met kruit en munitie bevoorraad konden worden. Daartoe werd met hulp van de geheime diensten een Europees leveranciersnetwerk opgezet met militaire bedrijven als Allivane, Astra en het Nederlandse kruitbedrijf Muiden-Chemie als knooppunten. Het Britse bedrijf Astra werd eerst verblijd met forse overheidsopdrachten. Na een tijdje kwam de directeur, Gerald James, erachter dat hij, zonder dat hij dat wist, ook als leverancier bleek te figureren van enorme exportzendingen naar landen als Oostenrijk en Portugal. ‘Portugal kon er zo ongeveer de hele wereld mee aanvallen,’ verklaarde hij in 1991 tegen een onderzoekscommissie van het Lagerhuis.

In werkelijkheid was het kruit bestemd voor de kanonnen van Saddam Hoessein. Die leveranties liepen onder andere via het – volgens James – door het Britse ministerie van Defensie en de geheime dienst MI6 gerunde Allivane-netwerk. In zijn geruchtmakende boek In the Public Interest (1996) beschreef James haarfijn hoe dat ging. Allivane begon in 1983 met niets, maar kreeg met het grootste gemak de ene na de andere vergunning van de Britse overheid voor fantastische exportopdrachten. Veel explosieven kwamen uit Nederland. ‘A little known fact about Joost de Graaf (destijds directeur van Muiden-Chemie – KC, HB) is that he was one of the founder shareholders of Allivane,’ schrijft James.

En James ontdekte nog meer. Hij was door de Britse regering aangemoedigd om een concurrent op te kopen, BMARC. Ook nu kwam hij er bij toeval achter dat zijn aanwinst een tussenstation was voor enorme hoeveelheden explosieven, geleverd door Muiden-Chemie en bestemd voor Irak. James voelde zich misbruikt. Hij beweert dat hij tijdens een rondleiding door het BMARC-bedrijf van de route was afgeweken en tot zijn stomme verbazing op de Nederlandse ‘pot of gold’ stuitte. ‘Tonnen explosieven van Muiden-Chemie, onverklaarbaar in relatie tot de orderpositie van het bedrijf. Er lag genoeg materiaal om het hele Russische leger te vernietigen.’

Astra en andere zondebokbedrijven gingen op de fles. Allivane was een spookbedrijf, ‘a company that never was’, en dat ook weer gemakkelijk gedumpt zou kunnen worden zodra dat politiek beter uit zou komen. Een mooie bliksemafleider voor firma’s die ook in het netwerk waren betrokken, maar wel overheidsbescherming genoten. Bijvoorbeeld de Royal Ordnance, sinds mensenheugenis Brits hofleverancier van munitie. En Muiden-Chemie, dat na jaren van illegale kruitleveranties aan het Midden-Oosten werd overgenomen door Royal Ordnance.

Dubbelspel? Niks bijzonders dus, eerder handig. Onlangs werd onthuld dat ook atoomspion Abdoel Kadr Khan hoge beschermheren had. De vader van de Pakistaanse atoombom had in de jaren zeventig bij het Nederlandse bedrijf Urenco rondgesnuffeld en de geheimen van de ultracentrifuge gestolen. Die vormden de basis voor een ‘islamitische’ atoombom. Khan werd in 1983 veroordeeld tot vier jaar gevangenis, maar was intussen al ontkomen naar zijn vaderland. In hoger beroep werd zelfs die papieren straf nog ongedaan gemaakt omdat de dagvaarding niet in orde was: die was slechts geadresserd aan ‘Khan, Islamabad’. Vervolgens was Khan, onder het oog van de inlichtingendienst, geen strobreed in de weg gelegd als hij zo nu en dan zijn schoonfamilie in Brabant bezocht.

Den Haag kon dat nog afdoen als ‘grootmoedig je verlies nemen’. Maar nu The New York Times (26-12-2004) heeft onthuld dat de CIA in de jaren zeventig Nederland tweemaal heeft verzocht om Khan te laten lopen, kun je ook met andere ogen naar de klunzige rechtsgang kijken. Khan was meer waard als lokaas dan als arrestant. Hij moest de inlichtingendiensten naar een nieuwe ‘pot of gold’ brengen.

Het liep anders. De geheime dienst had niet Khan aan een touwtje, maar Khan misleidde de diensten. In mei 1998 verraste Pakistan de inlichtingenwereld met zijn eerste atoomproeven. Bovendien bleek Mr. Evil, zoals Khan nu door de CIA wordt genoemd, vervolgens iedereen op het verkeerde been te hebben gezet. Want hij had niet alleen zijn eigen land aan atoomgeheimen geholpen, maar ook Noord-Korea, Libië en Iran. En, naar nu wordt gevreesd, Syrië en Egypte. En waarom bezocht Khan, vlak voordat de Pakistaanse leider Moesharav hem begin 2004 huisarrest gaf om te voorkomen dat hij onder zware Amerikaanse druk voor ondervraging in een Pakistaanse gevangenis terecht zou zijn gekomen, ook nog eens landen als Kazachstan, Afghanistan, Marokko, Kenia, Mali, Saoedi-Arabië, Nigeria, Soedan en de emiraten? De inlichtingendiensten hebben het zicht op hem totaal verloren. Verzoeken van het Internationaal Atoomagentschap en de Verenigde Staten aan Moesharav om Kahn te verhoren, wijst de Pakistaanse leider pertinent van de hand. Vragen kunnen schriftelijk bij de paleiswacht worden ingediend.

Foute wapenhandelaars kunnen op vier manieren een bijdrage leveren aan de politieke doelen van inlichtingendiensten. Allereerst maken ze de klant met hun leveranties militair afhankelijk. Zó afhankelijk dat hij misschien ooit gedwongen kan worden in het gareel te lopen. Een cynisch argument als zo’n klant, zoals Saddam Hoessein, eerst dood en verderf zaait.

Ten tweede kunnen wapenhandelaars geheimen vertellen over de militaire plannen van de vijand. In Engeland kan iemand die het spel goed speelt zelfs een’ public interest immunity certificate’ krijgen, een eeuwige vrijgeleide die hij lachend aan de rechter kan tonen. Wie minder gelukkig is, zoals Gerald James, mag zijn frustraties in een boek opschrijven maar is verder een ‘nuttige idioot’ en wordt gewoon gedumpt.

In de derde plaats kunnen wapenhandelaars tijdelijk hun nut als informant hebben. Alles wat mensen als Van A. of de periscopenman van Oldelft in Irak zien, kan ruilwaarde hebben in de wereldwijde inlichtingenmarkt. Is het niet interessant voor de AIVD, dan kan het van belang zijn voor de CIA of de Mossad.

En ten vierde: je kunt een foute wapenhandelaar even laten lopen om er misschien een nóg foutere mee op het spoor te komen. Maar daar is het geheime diensten zelden om te doen. Ze zijn meestal op jacht naar de politieke bonus, hun ‘public interest’.

Hoe zal het de Nederlandse gifhandelaar Van A. vergaan? Ook hij zal in de verleiding komen om zich te beroepen op zijn informantenstatus bij de AIVD. Maar dat zal hem niet in dank worden afgenomen. Met het staatsbelang kan niet onderhandeld worden, zeker niet in de openbaarheid van de rechtszaal. Hij zou dus ook eieren voor zijn geld kunnen kiezen: zwijgen en hopen op een goede afloop.

Van A. en de overheid hebben elkaar in een interessante houdgreep. Van A. zou kunnen proberen de Nederlandse staat mee te slepen in zijn val. Gek genoeg zou hij daarbij juist de vraag kunnen opwerpen: waarom heeft u mij in de jaren tachtig eigenlijk laten lopen? Nu beschuldigt u mij van genocide, maar ik had liever het (veel mildere) lot van Melchemie ondergaan.

Nog curieuzer is dat Van A. daarbij nu de objectieve bondgenoot is van Iran, het land dat in de jaren tachtig op grote schaal is aangevallen met de door hem geleverde chemicaliën van Saddam Hoessein.

Begin juli 2004 heeft Iran het Irak-tribunaal in Bagdad officieel verzocht om niet alleen Saddam Hoessein, maar ook West-Europese landen te berechten voor hun medeplichtigheid in de gifgasoorlog die tegen Iran werd ontketend. Volgens Mohammed Shariati, adviseur van de Iraanse president Khatami, wisten regeringen van de leveranties en hadden ze die moeten voorkomen.

Iran is er verontwaardigd over dat het Irak-tribunaal zich wel bezig gaat houden met ‘Halabja’ en de overweldiging van Koeweit, maar dat in de aanklacht tegen Saddam niet over Sardasht wordt gerept. Deze Iraanse stad werd in maart 1987 door de luchtmacht van Saddam Hoessein met mosterdgas bestookt. Van de twintigduizend inwoners hebben nog altijd zesduizend mensen ernstige klachten, variërend van blindheid tot maag- en darmstoornissen en huidziekten.

Zo is de cirkel rond en kunnen Iran en Van A. het dubbelspel tegen Nederland spelen. Nederland beschuldigt Van A. van genocide. Iran beschuldigt Nederland van genocide. En Van A. kan Nederland in een lastig parket brengen door niet over de AIVD te zwijgen.