VN MediagidsDe Wet van het Vluchtige Vliegtuig
Het leger in Irak heeft meer behoefte aan pantservoertuigen en kogelvrije vesten dan aan peperdure gevechtsvliegtuigen. En de strijd tegen het terrorisme is meer gediend met onbemande vliegtuigjes. De ontwikkeling van de Joint Strike Fighter komt zo steeds meer onder druk te staan.
JSF is nu al ouderwets
Op de website van het Joint Strike Fighter Program Office (www.jsf.mil) schieten superlatieven tekort in de beschrijving van het nieuw te ontwikkelen gevechtsvliegtuig. Het is ‘het meest betaalbare, dodelijkste, onderhoudsvriendelijkste en langstlevende vliegtuig ooit’, gemaakt voor ‘vele strijdkrachten over de hele wereld’ – want naast de Verenigde Staten, betalen ook het Verenigd Koninkrijk, Italië, Turkije, Canada, Australië, Denemarken, Noorwegen en Nederland mee aan de ontwikkeling van dit wonder der techniek. Geïnteresseerden kunnen zich op de site informeren over de ontwikkeling van de JSF-motor, de JSF-radar of de JSF-staartvleugel. Geen woord over de kostenoverschrijdingen en andere problemen waarmee het programma sinds de start in 1996 kampt. Sterker nog, de website weet te melden dat juist betaalbaarheid de ‘cornerstone’ van het F-35 Joint Striker Fighter Programma vormt. ‘Het terugbrengen van de ontwikkelingskosten, productiekosten en kosten van gebruik.’
De ontwikkeling van het geavanceerde gevechtsvliegtuig gaat een spannende tijd tegemoet. Begin 2006 verschijnt de Quadrennial Defense Review, de Amerikaanse defensienota, waarin het Pentagon de plannen voor de komende vier jaar bekendmaakt. De cruciale vraag is wat de speerpunten van het beleid worden. En of de supersonische Joint Strike Fighter daarin nog wel zo’n belangrijke rol speelt.
De voortekenen wijzen erop dat dit niet het geval zal zijn. In april dit jaar luidde de Amerikaanse Rekenkamer de noodklok over het prestigieuze wapenproject. In een kritisch rapport aan de Senaat somden de rekenaars een drietal key concerns op. Eén: de ontwikkeling van de JSF blijkt geen 25 miljard, maar 45 miljard dollar te kosten, een stijging van maar liefst tachtig procent. Twee: het programma heeft twee jaar vertraging opgelopen. En drie: de verwachte verkoopaantallen van de JSF zijn flink gedaald. Conclusie van de Rekenkamer: de originele ‘business case’ is onuitvoerbaar. ‘Het JSF-programma nadert belangrijke investeringsbeslissingen [...] Gezien de voortdurende onzekerheden over het project zou het ministerie van Defensie meer tijd moeten nemen voordat het zichzelf vastlegt op een nieuwe business case en doorgaat.’ Immers: ‘Het ministerie van Defensie heeft haar oorspronkelijke beloftes niet waar kunnen maken.’ De Rekenkamer wijst erop dat het JSF-programma zich nog in een relatief vroege fase bevindt en met andere defensieprogramma’s zal moeten concurreren om de beschikbare dollars. Zeker nu de miljarden verslindende oorlog in Irak een groot gat in het budget heeft geslagen. ‘De JSF vereist de komende 22 jaar een nooit eerder vertoonde investering van 225 miljard.’ De impliciete boodschap aan de regering-Bush is helder: denk nog goed eens na voordat jullie zo veel geld over de balk smijten.
Sindsdien houden beleidsmakers van het Pentagon nut en noodzaak van de JSF opnieuw tegen het licht. Twee weken geleden berichtte de Los Angeles Times dat de plannenmakers overwegen flink het mes te zetten in het JSF-programma. De Financial Times meldde een dag later dat het zou gaan om een reductie van maar liefst zeventig procent. In plaats van 2400 toestellen, zou de Amerikaanse luchtmacht niet meer dan zevenhonderd stuks aanschaffen. Het voorstel zou afkomstig zijn van topadviseur Ryan Henry, een vertrouweling van defensieminister Donald Rumsfeld.
Het Pentagon ontkende noch bevestigde de berichten. ‘Het is te voorbarig,’ liet woordvoerder Lawrence di Rita weten. Beleidsmakers van het Pentagon, zei hij, hoeven geen rekening te houden met het effect dat afschieten van het JSF-programma heeft op de relatie met de andere deelnemende landen. ‘Maar degenen die de uiteindelijke beslissing nemen, zullen dat effect wel moeten meenemen in hun afweging.’ Erg overtuigend klonk het niet.
Dat de Joint Strike Fighter een paar miljard méér gaat kosten dan oorspronkelijk gedacht, is nog tot daar aan toe. Een veel serieuzere bedreiging voor het gevechtsvliegtuig is van politiek-strategische aard. Sinds de War on Terrorism vragen Amerikaanse veiligheidsdeskundigen zich af hoe de Verenigde Staten zich het beste tegen aanslagen kunnen wapenen. De conclusie zou zomaar kunnen zijn dat een gevechtsvliegtuig daarvoor niet het meest geëigende middel is. In de traditionele oorlogsvoering houdt de vijand zich op in een duidelijk omschreven gebied waar behendige piloten met snelle, wendbare gevechtsvliegtuigen overheen kunnen vliegen. Maar in het post-9/11-tijdperk huist de dreiging overal: in een personenwagen bij een militaire wegafzetting in Irak, in een fish and chips shop te Leeds of in een Egyptisch hotel aan de Rode Zee. Met straaljagers en tanks, hoe geavanceerd en onzichtbaar voor de radar ook, kom je dan niet erg ver.
Het leger in Irak heeft op dit moment meer behoefte aan extra pantservoertuigen of kogelvrije vesten dan aan een peperduur gevechtsvliegtuig. Daarnaast zullen de strijdkrachten vooral willen inzetten op methodes om zelfmoordaanslagen te ontdekken en te voorkomen.
Mochten er in ‘de strijd tegen gewelddadig extremisme’ vliegtuigen nodig zijn, dan maken vooral unmanned aerial vehicles (UAV’s) een goede kans. Deze onbemande vliegtuigen hebben een aantal voordelen boven de JSF: ze zijn goedkoper en hebben geen zwaar getrainde piloten nodig. Bovendien kunnen ze uitstekend worden ingezet in de strijd tegen Al Qaeda-cellen in Jemen of Afghanistan. Een UAV als de Predator kan urenlang in de lucht hangen en de omgeving verkennen. Er zijn inmiddels ook unmanned combat aerial vehicles (UCAV’s), bewapend met een Hellfire-raket, waarmee op afstand vijandelijke strijders kunnen worden uitgeschakeld.
De onbemande toestellen zullen – althans op korte termijn – de bemande gevechtsvliegtuigen niet vollédig overbodig maken. Maar de balans tussen bemand en onbemand verschuift ontegenzeggelijk naar de laatste categorie. De Amerikaanse luchtmacht verwacht dat in 2010 dertig procent van de toestellen zal vliegen zonder piloot.
De Nederlandse politiek weigert vooralsnog een principiële discussie over de (toekomstige) noodzaak van gevechtsvliegtuigen als de JSF te voeren. Noch het kabinet-Kok, noch het kabinet-Balkenende heeft deelname aan het JSF-project onderbouwd met een degelijke strategische analyse. Het JSF-programma werd gepresenteerd als ordinaire business case waaraan ons land geld kon verdienen. Den Haag heeft achthonderd miljoen dollar aan het project toegezegd, waardoor de Nederlandse industrie mag meedingen naar orders in de ontwikkelingsfase van de JSF. Als de investering is terugverdiend, moeten de deelnemende bedrijven dat geld terugstorten in de schatkist. Tot nu toe bleef het kabinet bij elke financiële tegenslag in het JSF-project optimistisch. Immers: de overheid liep geen enkel risico.
Kortzichtigheid of naïviteit – het blijft gissen. Want hoe je het ook wendt of keert: hogere ontwikkelingskosten en een afname van de vraag leiden onverbiddelijk tot duurdere vliegtuigen. En dat is ook voor Nederland een probleem. Oorspronkelijk zou de JSF 31,5 miljoen dollar per stuk gaan kosten. Inmiddels is dat bedrag opgelopen tot 45 miljoen dollar.
Wanneer de ontwikkelingskosten verder stijgen, zoals de Amerikaanse Rekenkamer vreest, wordt het prijskaartje van de JSF nóg hoger. Als de Amerikaanse overheid daarnaast nog eens honderden toestellen schrapt en overstapt op onbemande toestellen, is de fatale spiraal compleet: hogere stukprijs leidt tot minder vraag, leidt tot een hogere stukprijs enzovoorts. In het theoretische geval dat geen regering ter wereld over tien jaar nog geïnteresseerd is in de JSF, kan het kabinet-Balkenende-4 er toch nog twee bestellen bij Lockheed Martin. Kosten: een miljard euro. Per stuk.
Het kabinet heeft al aangegeven dat hoe duurder de JSF wordt hoe minder vliegtuigen ons land zal aanschaffen. Dat beleid is in feite al eerder ingezet. Telde de trotste vaderlandse luchtvloot in 1975 nog tweehonderd toestellen, zes jaar geleden besloten de plannenmakers dat honderdtwintig JSF’s voldoende zouden zijn. Nu is dat weer gedaald tot vijfentachtig stuks. Als de prijsstijging doorzet, kan Defensie met het beschikbare budget straks niet meer dan veertig Joint Strike Fighters aanschaffen. Laten we het de Wet van het Vluchtige Vliegtuig dopen: elke tien jaar lost de helft van de vaderlandse luchtvloot in het niets op. Om omstreeks 2040 inderdaad een omvang van twee toestellen te bereiken.
PvdA-kamerlid Luuk Blom, fervent tegenstander van deelname aan het JSF-project, vindt dat er in de Nederlandse politiek sprake is van nogal wat ‘borden voor de kop’. ‘Alle seinen staan op rood. Ik kan maar niet begrijpen hoe de overheid met het volle verstand achthonderd miljoen dollar kan overmaken zonder één enkele garantie.’
Mocht de Amerikaanse regering inderdaad besluiten fors minder toestellen aan te schaffen, dan betekent dat een strop voor de Nederlandse industrie, verwacht Blom. ‘Dan kan Gerrit Zalm wel blijven roepen: ik krijg mijn geld terug. Maar wat als de industrie dat geld gewoon niet heeft? Laat hij dan een bedrijf als Stork failliet gaan? Ik geloof er niets van. Nee, dan moet de belastingbetaler bijpassen.’ Wat Blom betreft had het kabinet de miljoenen nog beter in een sloot kunnen kieperen. ‘Dan had je tenminste nog kringen gezien.’
Zijn VVD-collega Willibrord van Beek ziet het minder somber in. Hij wijst erop dat de Joint Strike Fighter in dóllars weliswaar steeds duurder wordt, maar dat die dollar de afgelopen jaren flink in waarde is gedaald. Van Beek: ‘Per saldo zijn we goedkoper uit.’ Aan voorspellingen over het effect dat een stijgende dollarkoers zou hebben, of erger, een mogelijk Amerikaans besluit tot aanschaf van minder JSF’s, waagt hij zich voorlopig liever niet. ‘Als er meer gegevens bekend zijn, praten we verder.’
Generaals vechten altijd hun laatste oorlog. Bureaucraten zijn alvast bezig met de volgende. Als er één sector is die de gevolgen van de oorlog tegen het terrorisme ondervindt, dan is het de defensie-industrie. Nu de politiek van Washington tot Ankara en van Londen tot Moskou de strijd tegen zelfmoordenaars heeft uitgeroepen tot nieuwe number one priority, moeten ‘ouderwetse’ strijdstrategieën – vaak nog daterend uit de Koude Oorlog – plaats maken voor de New Era of Strategic Thinking. En wordt ‘ouderwets’ wapentuig ingewisseld voor nieuw. Het JSF-project zou daarvan wel eens het eerste slachtoffer kunnen worden.




