VN MediagidsWitwasjacht: hoe justitie Michel P. plukte
Crimineel geld 8: Hij deed zaken met Willem Endstra, kreeg advies van Evert Hingst en bezocht de villa van popidool Prince. Maar sinds de rechter hem heeft veroordeeld voor de handel in hasj, is Michel P. ridder te voet. Het openbaar ministerie heeft zes miljoen van hem ‘geplukt’.
Het was niet meer dan een routinecontrole. Op vrijdag 30 november 2001 pikte Bert van Essen, wachtmeester eerste klas van de Koninklijke Marechaussee, een passagier uit de rij bij de security check in Terminal 2 op Schiphol.
Een man met een handtas. ‘Wilt u mij volgen naar de visitatieruimte?’ vroeg de ambtenaar. Daar aangekomen legitimeerde de man zich als Herman C., afkomstig uit Leiden en op weg naar het Indonesische eiland Surabaya. Hij overlegde zijn paspoort en liet de douanier zijn handbagage doorzoeken. Daarin werd ‘behoudens enkele medicijnen niets terzake dienende aangetroffen’. Wat wel opviel: de reiziger kon niet zeggen waar hij in Indonesië zou verblijven en had slechts tweehonderd gulden bij zich.
Het krakkemikkige verhaal van de vijfendertigjarige C. klonk verdacht genoeg om hem aan een ‘kleding- en lijfvisitatie’ te onderwerpen, temeer daar de Leidenaar volgens het proces-verbaal ‘moeilijk op zijn schoenen liep en dat zijn schoenen niet helemaal waren gestrikt met een veter’.
En zo kwam het dat douanier Van Essen 133 biljetten van duizend gulden in de rechterschoen van de reiziger vond. In de linkerschoen zaten 145 biljetten van duizend Duitse marken verstopt. De opsporingsambtenaar noteerde: ‘Ongevraagd vertelde de man dat dit niet zijn geld was maar dat hij dit geld naar Jakarta moest brengen en dat dit ongeveer driehonderdduizend gulden moest zijn.’ Stom. Had-ie niet moeten doen, vond ook Herman C. Maar hij had zich over laten halen door zijn vriend ‘Mark’, die een huis wilde bouwen in Indonesië. Herman had Mark vier weken eerder leren kennen in homoclub Stras in Den Haag.
Herman C. mocht diezelfde dag nog naar huis. Maar het geld was hij kwijt. Het is sindsdien in bezit van de Nederlandse staat. En dat blijft ook zo, want in een veel latere verklaring onthulde de Leidse ‘geldrunner’ de ware toedracht van het schoenenverhaal. Herman had het geld op verzoek van Michel P. naar Indonesië moeten brengen. Dergelijke klusjes deed hij wel vaker voor deze opdrachtgever. In ruil daarvoor genoot C. gratis reisjes naar verre landen en vakanties in exotische oorden.
Ontnemingslijstje
‘Poging transport van geld door Herman C., 134.490 euro’. Met dat korte zinnetje is de schoeiselcasus samengevat in de rekensom van het Openbaar Ministerie. Het is een van de achtentwintig bedragen uit het ontnemingslijstje van Michel P. (21 augustus 1970) uit Zoeterwoude. In totaal heeft de veroordeelde hasjhandelaar volgens justitie 6.089.078,31 euro wederrechterlijk verkregen met zijn criminele handel. Dus eiste officier van justitie Karin Zweers (zie interview op pagina 38) begin dit jaar dat bedrag bij de Haagse rechtbank als op te leggen maatregel. In mei gaven de rechters haar gelijk.
Daarmee is de ontneming van P. een regelrechte trofee voor Zweers en haar jagers op crimineel geld. Daar was natuurlijk heel wat aan voorafgegaan. Vijf jaar eerder, op 22 april 2003, was P. in zijn Scheveningse appartement aangehouden op verdenking van drugshandel. Ruim een jaar later, op 7 mei 2004, werd hij in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld voor de teelt en uitvoer van hennep en het leidinggeven aan een criminele organisatie. In het daaropvolgende hoger beroep achtten de raadsheren van het Hof de verdachte ook schuldig en veroordeelden hem op 17 juni 2005 definitief tot drie jaar gevangenis.
Dat was de straf voor zijn fouten. Maar daarmee is tegenwoordig het leed voor de gepakte crimineel nog niet geleden. Parallel aan een strafzaak kijkt het Openbaar Ministerie vanaf het begin hoe ze een verdachte zijn buitenwettelijke winst kan afpakken. Om er zeker van te zijn dat een vermeend crimineel zijn centen niet wegsluist, legt justitie direct beslag op alle te traceren bezittingen van de verdachte.
Dat overkwam ook Michel P. Tot die beslagen bezittingen behoorde onder andere het op Schiphol geconfisqueerde geld. Maar daar bleef het niet bij. Hij moest ook afstand doen van onder meer een Mercedes E55 (60.672,-), een schilderij van Herman Brood (1.500,-), een witgouden Chopard-horloge (7.200,-), banktegoeden in België (1.746.000,48) en een appartement in het Spaanse Estepona (1.300.000,-). In totaal was P. bij het begin van zijn strafzaak al 5,4 miljoen euro kwijt. Daar kwam uiteindelijk nog een paar ton onverklaard inkomen bij dat het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) gedurende het onderzoek achterhaalde en bij elkaar cijferde als crimineel geld. Het resulteerde in een eindbedrag van ruim zes miljoen euro.
Cash geld
Hoewel ze gelijk oplopen, zijn er wezenlijke verschillen tussen een strafzaak en een ontnemingzaak. Bij de laatste is de bewijsvoering een stuk gemakkelijker. Er zijn meerdere methodes om de illegale inkomsten van een crimineel te berekenen. Aan de hand van de delicten waarvoor een verdachte is veroordeeld kan het OM bijvoorbeeld berekenen welke omzet iemand heeft gehaald – in het geval van P. zou dan het uitgangspunt kunnen zijn de gemiddelde jaaropbrengst voor de vier hennepplantages die justitie heeft ontdekt.
Daarbij hoeft de rechter zich niet te verlaten op wat er daadwerkelijk is aangetroffen op de plaats delict, maar mag hij zich baseren op veronderstellingen en ‘ervaringsregels’ (bijvoorbeeld de gemiddelde opbrengst van hennep per plant). Ook kan de periode waarover de ontneming zich uitstrekt, langer zijn dan die uit de strafzaak. De aanklager zegt dan: het is aannemelijk dat meneer in de periode voor het ten laste gelegde delict ook al flink heeft verdiend aan zijn illegale handel. En dat gaan we hem ook afpakken.
Dat is één manier. In het geval van P. heeft het OM echter gekozen voor een andere optie: de kasopstelling. Die methode komt er op neer dat justitie berekent hoeveel cash geld er in een bepaalde periode door de handen van de verdachte is gegaan. Vervolgens krijgt de verdachte de gelegenheid om uit te leggen hoe hij dat bedrag – legaal – heeft verdiend of verkregen. Lukt dat niet, dan gaat de officier van justitie er vanuit dat het crimineel geld is. Uitgangspunt is dat betrokkene ‘in de oorspronkelijke financiële toestand moet worden teruggebracht’, ergo: dat hij alleen zijn legale geld onder zich mag houden. Het maakt de ontnemingswetgeving tot een veelbesproken en regelmatig gehekeld onderwerp onder advocaten en rechtsgeleerden. Daarbij gaat het dan vaak over het principe van onschuldpresumptie. Uitgangspunt bij strafzaken is dat het OM moet bewijzen dat een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Tot die tijd is de verdachte onschuldig. Bij de ontneming is dat omgedraaid. De verdachte moet bewijzen hoe hij aan zijn geld komt, anders is hij schuldig. ‘Dat is lastig in kringen waar een ordentelijke boekhouding geen gemeengoed is,’ stelt hoogleraar strafrecht Stijn Franken in zijn artikel ‘Het daadwerkelijk verkregen voordeel’ (Delikt en Delinkwent, 21-5-2007).
Enkelbandje
Michel P. ondervindt het aan den lijve. In een kantoortje op de eerste verdieping van een bedrijfsgebouw, ergens in het Zuid-Hollandse polderlandschap, heft hij zijn grote handen ten hemel. ‘Ik ben veroordeeld voor vier wiettuinen, waarvan er twee werden opgerold. De rest is fictie. Ze kunnen wel zeggen dat ik president Kennedy heb vermoord. Nu willen ze 6,3 miljoen euro. Als je aan dat bedrag wilt komen mag je heel Nederland wel volzetten met wietplanten!’
Het is vier maanden voor de definitieve uitspraak van de rechter in zijn ontnemingzaak. P. is op vrije voeten. Nou ja, bijna. Hij zit niet meer vast, maar draagt op dat moment nog wel een detectiebandje om zijn enkel. De ogen van de stevige dertiger fonkelen fel. Achter hem op de bank zitten twee mannen (‘klanten van mij’) die zwijgen tijdens het gesprek. Met een onvervalst Leids accent verhaalt P. over het onrecht dat hem naar eigen zeggen is aangedaan, de gotspe dat hij de enige van de groep is die moet betalen. ‘Het is toch vreemd dat als je met zijn allen wordt opgepakt, dat er dan maar eentje aan de pan blijft plakken? Ja toch?’ Dat er in de computer van de boekhouder van de organisatie bestanden zijn gevonden met ‘mike’ als aanduiding, daar heeft hij he-le-maal niets mee te maken. ‘Ik ben het in ieder geval niet. Ik heet Michel en geen Mike. Voor mij is het moeilijk om het tegendeel te bewijzen. Op papier word ik veel groter gemaakt dan ik in werkelijkheid ben.’
Hij is in de visie van justitie inderdaad de Grote Baas. Eentje die zijn organisatie met harde hand leidt. ‘Mensen die deel uitmaakten van de criminele organisatie, hadden een soort schuld, echter van deze schuld kwam men nooit af,’ staat er in de justitiestukken. ‘Meerdere aangehouden verdachten hebben verklaard dat zij uit angst voor represaillemaatregelen geen volledige openheid van zaken durfden te geven.’ Onzin, zegt Michel P. opnieuw. Je moet je afvragen of zulke mensen niet zelf wat te verbergen hebben.’
Hij vindt het ‘kinderachtig’ hoe justitie hem continu probeert neer te zetten. ‘Vuurwapengevaarlijk en uiterst gewelddadig. Als het maar vaak genoeg wordt gezegd, ga je er vanzelf in geloven. Alsof ik echt zo zou zijn. Ik ben een zakenman, niet dan?!’
Datzelfde oordeel heeft P. over de veronderstelling van het OM dat hij het eindstation was van een omvangrijke criminele cashflow. Dat hij over miljoenen kon beschikken, kan Michel P. wel verklaren. Het geld is van zijn zakenpartner, betoogt hij vanuit zijn Zuid-Hollandse kantoorverdieping. Hij zal het verhaal later bij de rechter ook herhalen: in 1995, tijdens een vakantie, ontmoette P. een Chinese zakenman in de Amerikaanse stad Orlando. Deng Long Long heette de ondernemer. ‘Ik was daar een paar dagen. Het eten is daar in de Verenigde Staten zo verschrikkelijk slecht, dat ik elke dag in hetzelfde Chinese restaurant at. Daar zat die man ook. We raakten in gesprek. Hij zei dat hij wilde investeren in Europees vastgoed. Hij had vertrouwen in me. Of ik dat niet wilde doen? Hij zou tien miljoen dollar overmaken, waarmee ik dan aan de slag moest. Ik wist niet wat ik hoorde en heb natuurlijk ja gezegd. Al geloofde ik het niet echt.’
Papiersnippers
Terug in Nederland vergat P. naar eigen zeggen alras de afspraak met Deng de Chinees. Tot hij een paar maanden later een onverwacht telefoontje kreeg van een medewerker van de Chinese ambassade in Duitsland. Tot zijn verbijstering kreeg hij van de diplomaat een tas met 1,15 miljoen dollar, te investeren in vastgoed naar eigen goeddunken. Daarna kwamen er vaker telefoontjes en tassen met miljoenen aan deviezen, die werden overhandigd op verschillende plekken in Europa. P. stortte die miljoenen uiteindelijk op Zwitserse en Belgische bankrekeningen.
Daar waren de opsporingsambtenaren ook al achtergekomen. Ze hadden P. laten volgen in Zwitserland, waar hij op een parkeerplaats bij het Meer van Lugano nietsvermoedend iets in een prullenbak gooide. De observanten visten de papiersnippers uit het afval: het bleek een enveloppe met bankgegevens uit de periode 1998–2002. P. heeft in die tijd tenminste drie contante stortingen ter waarde van ruim 544 duizend euro gedaan bij de UBS bank, bleek uit de documenten.
Het was geld van de Chinees, zegt hij nu. ‘Ik heb overal voor moeten tekenen, hoor. Maar je gaat als zevenentwintigjarige niet met een dikke miljoen dollar naar een Nederlandse bank.’ Dat verhaal vertelde hij in februari ook aan de Haagse rechters. Maar waarom kon hij dat geld dan niet in Nederland kwijt, wilde de rechtbankvoorzitter weten. En waarom wel bij een buitenlandse bank? ‘Ja, dan krijg je een melding,’ antwoordde de verdachte. De rechter: ‘O, dat bedoelt u. Dat ze het nagaan?’ P. kwam in zijn verklaring niet verder dan dat ‘mensen in zijn omgeving hem dat hebben geadviseerd’.
Het was niet moeilijk om de scepsis af te lezen op de gezichten van de Haagse rechters. Officier van justitie Karin Zweers voedde die achterdocht in haar requisitoir: ‘Een Chinees die, zoals blijkt uit de stukken, slecht Engels spreekt, zou op basis van één ontmoeting met betrokkene, die evenzeer slecht Engels spreekt, zonder tussenkomst van tolken, zomaar tien miljoen dollar in handen willen stellen van betrokkene, die hij verder helemaal niet kent en zonder enige verdere zekerheid te eisen?’
En als dat dan al zo is gebeurd, meende Zweers, dan had P. als verantwoording toch echt wel een soort ‘kladboekhouding’ kunnen overleggen? Er is meer waarmee de officier het verhaal van de verdachte torpedeerde. ‘Niet in overeenstemming met dit alles is dat een gedeelte van het geld door betrokkene opgebruikt is in plaats van belegd, en dat betrokkene geld op bankrekeningen op naam van zijn ex-echtgenote en zoon heeft gezet.’
Potten en pannen
Toch is het zo gegaan. Dat is wat P. en zijn advocaat Jozef Rammelt de rechters voorhielden. De raadsman vroeg om Chinese zakenrelaties te mogen laten getuigen. Zij konden P.’s verhaal bevestigen. Maar de rechters honoreerden Rammelts verzoek om de zitting aan te houden niet. P. moet het allemaal zelf uitleggen.
Ondanks de duidelijk merkbare twijfel bij de rechters over het Chinese ‘investeringsverhaal’ blijft de verdachte persisteren. En nog zoiets. Het is niet zo dat hij voorheen geen geld had, dat die buitenlandse rekeningen slechts zijn gevuld met de deviezen van Deng Long Long. Mind you, hij heeft altijd van de handel geleefd, ruikt kansen lang voor de concurrentie, beweert Michel P. Hij was het die de in de jaren negentig populaire Australian-trainingspakken naar Nederland haalde (‘inkoop honderdvijftig gulden, verkoop driehonderd’). Hij had meer lucratieve zaakjes. Na de val van de muur struinde Michel met potten en pannen door voormalig Duitsland. ‘Ik verdiende van midden jaren tachtig tot midden jaren negentig zo’n tien- à twintigduizend gulden per maand.’ Dat ‘spaargeld’ is volgens P. deels terug te vinden op zijn Zwitserse en Belgische bankrekeningen, samen met de miljoenen van de Chinees. ‘Ik heb daar bewijzen van,’ beweerde P. tegenover zijn rechters. ‘Die stukken liggen in de kluizen van de banken.’ Toen de officier van justitie zei dat er in de Zwitserse en Belgische kluizen geen bewijsstukken van betalingen door welke Chinees dan ook zijn gevonden, reageerde P. verontwaardigd. ‘Ik weet zeker dat ze er liggen! Dit is tunnelvisie!’
Maar het is waar ook de rechters om vragen. Bewijsstukken. Daar gaat het om. Zolang P. geen geloofwaardige boekhouding kan overleggen, blijft hij schuldig. Hij moet aantonen waar zijn geld vandaan komt in de ten laste gelegde periode, niet de officier van justitie. Zijn officiële inkomen volgens justitie? Tussen 1998 en 2000 had Michel een bijstandsuitkering, daarna kreeg hij een inkomen via het uitzendbureau van zijn broer AB Euro (‘Altijd Beschikbaar’). Niet veel meer dan een dikke zestigduizend euro volgens de rekenaars van het BOOM. Klopt niet, het was veel meer, zegt P. Net als de inkomsten uit zijn Amstelveense videotheek. Maar ja, bewijzen wordt lastig. Hij heeft er nu wel spijt van dat-ie dat allemaal niet wat netter in een boekhouding heeft vastgelegd.
Het is P.’s makke. Precies zoals professor Franken het zegt: in dergelijke kringen is een ordentelijke boekhouding geen vanzelfsprekendheid. Michel P. is het dan ook spuugzat op het moment dat wij hem spreken. Zijn leven is binnenstebuiten gekeerd, in ieder geval voor zover er geld aan te pas is gekomen. De opsporingsambtenaren keken hoe de Star Galaxy-designhaard van zijn vrouw was betaald, hoe ze aan het Novarra-waterbed was gekomen en wie de antirimpelspuiten van de Injectables Kliniek had gefinancierd. Daarbij gingen de speurders van BOOM niet over een nacht ijs: medewerkers en verkopers van betrokken middenstanders werden verhoord en ze moesten hun boekhouding overleggen met daarin de levering van B & O-geluidsinstallaties, de Poggenpohl-keuken of boxershorts die P. in een exclusieve modewinkel kocht.
Veel van de luxeartikelen zijn terug te vinden in de woning van zijn ex. Ze leeft samen met hun zoontje op een woonwagenkamp. Maar justitie moet niet denken dat hij haar volledig onderhoudt. Nee, ze heeft een flinke erfenis gekregen van de ouders. En daar dient zich hetzelfde probleem aan. Ook de erfenis is niet – notarieel – vastgelegd. ‘Zo gaat dat op het kamp, van grootouders op ouders op dochter.’
Onder de radar
Het zijn stevige bedragen. Maar de Nederlandse interieuruitgaven vallen in het niet bij de geldstromen die het OM ontwaart in het buitenland. Overduidelijk daarbij is dat betrokken partijen bij sommige van de onderzochte, meer omvangrijke investeringen hun uiterste best hebben gedaan om onder de radar te opereren. Het is niet voor niets dat justitie rechtshulpverzoeken heeft gedaan naar de collega’s in Spanje, Zwitserland, Luxemburg, Italië, Canada en Dubai.
Vooral P.’s avontuur aan de Spaanse Costa del Sol krijgt ruimschoots aandacht van de geldspeurders uit Nederland. Uit hun reconstructie blijkt dat de verdachte een regelmatig bezoeker is van Estepona. Deze badplaats ligt net voorbij Marbella, pleisterplaats van extraverte nouveau riche en brisant rijke zakenlui. In de mix van dit alles is de hennephandelaar uit Zuid-Holland aan het begin van deze eeuw een geziene gast in het plaatselijke hotel Kempinski, een typisch mondain en prijzig onderkomen met uitzicht over de azuurblauwe wateren.
Tijdens zijn bezoekjes bedenkt de Nederlander dat hij eigenlijk net zo goed zijn eigen woning kan zoeken aan de zonnige kust. Dus gaat Michel P. op huizenjacht. Tijdens die queeste stuit hij op een wel héél bijzonder object. Hij gaat op bezoek in het te koop aangeboden Spaanse huis van P. Rogers Nelson, beter bekend onder zijn artiestennaam Prince. Michel is na een korte rondleiding door de overzeese residentie van de popartiest in eerste instantie enthousiast. Hij gaat met de vertegenwoordigers van Prince in onderhandeling over de prijs, maar de Amerikaanse ster vindt zijn bod te laag. Michel wil echter niet meer bieden en realiseert zich dat hij voor die paar miljoen dollar beter zelf grond kan kopen om daarop een luxueus onderkomen te bouwen.
Dan komt Julissa Garvajal Garcia in beeld. Zij is de makelaar die voor meneer en mevrouw Prince hun Spaanse villa probeert te verkopen. P. vraagt aan Garcia of het mogelijk is om in Spanje de aanschaf van de grond via een offshore-constructie te financieren. Dat kan. In opdracht van P. gaat ze aan de slag. Julissa Garcia, een van oorsprong Cubaanse die in Miami een makelaardij voert, is er later door Amerikaanse rechercheurs in het bijzijn van Nederlandse politiemensen over verhoord. ‘Michel vroeg mij toen hoe Prince het had aangepakt en ik vertelde hem over de offshore firma’s. Michel wilde dat ook.’ Dus schaft ze voor P. drie vennootschappen aan. Oakbrook, Carpe Diem en Ellison Worldwide. Het zijn zogenaamde BVI’s, limiteds met een zetel op de Britse Maagdeneilanden. Handig voor wie uit het zicht van de overheid wil blijven, want, zo adverteert de aanbieder van de drie rechtspersonen die P. heeft gekocht: ‘No public record is maintained as to the identity of shareholders or directors.’
En zo, via de Maagdeneilandroute, komt Michel P. uit Zoeterwoude op 5 juli 2001 voor 1.187.052,- euro in het bezit van drie stukken grond op golfterrein Los Flamingos in Benahavís. Een jaar later komt daar voor 963.000 euro nog een appartement bij aan Costalita del Mar in Estepona. Zonnige investeringen, waarbij de gebruiker niet zichtbaar als eigenaar aanwezig is. Dat staat als volgt samengevat in het dossier tegen P.: ‘Uit onderzoek is komen vast te staan dat Michel P. vanaf 2001, met gebruikmaking van buitenlandse bedrijven en Herman C., een appartement en drie percelen grond in Spanje heeft gekocht voor ruim twee miljoen euro. Middels deze bedrijven en andere personen voorkwam Michel P. dat dit onroerend goed op zijn naam werd geregistreerd. [...] Het is aannemelijk dat Michel P. voor deze versluiering heeft gekozen om te trachten te voorkomen dat dit vermogen hem, in geval van een strafrechterlijk financieel onderzoek ontnomen zou worden, dan wel om fiscale verplichtingen te ontduiken, dan wel beide.’
Hoe het geld voor de appartementen en voor de stukken grond in Spanje is terechtgekomen, daar hebben de speurders van BOOM ook wel een idee over. Ze hebben hun best gedaan om de internationale investeringscarrousel in kaart te brengen. Zo wordt P.’s zakenpartner Herman C. ervan verdacht voor Michel bankrekeningen te hebben geopend in Spanje en de Verenigde Arabische Emiraten (in Dubai). Ook het geld dat op Schiphol in de schoenen van Herman werd gevonden, is volgens justitie bedoeld om via Indonesië uiteindelijk in Spanje te belanden.
De bedragen uit Dubai worden eerst overgeboekt naar de Deutsche Bank in Frankfurt, en van daaruit gaat het verder richting het Iberisch schiereiland. Datzelfde gebeurt met ettelijke tonnen euro’s die ‘ene meneer Asim uit Pakistan’ stort op de Duitse rekening. Nogmaals, voor de argeloze buitenstaander is het niet meteen zichtbaar, maar voor het OM is het volstrekt duidelijk: in 2001 is Michel P. op verkapte wijze vastgoedbezitter en grondeigenaar in Spanje. P. ontkent dat overigens ook niet. Het zijn volgens hem investeringen die hij heeft gedaan voor zijn Chinese opdrachtgever.
De Chinees kan naar zijn geld fluiten, want als Michel in 2003 wordt opgepakt is het onroerend goed aan de Spaanse kust al weer van eigenaar veranderd. Maar er is nooit voor betaald. De nieuwe bezitter is een oude bekende van justitie: Willem Endstra.
Oom Harry
De in 2004 vermoorde Amsterdamse ondernemer mag zich in 2003 eigenaar noemen van P.’s appartement en de stukken grond op het golfterrein. Endstra is in het bezit van de vennootschappen die zijn gebruikt voor de aanschaf. De gewiekste zakenman heeft de hand gelegd op de aandelen aan toonder die bij de limiteds horen – wie deze naamloze stukken in bezit heeft is de rechtmatige eigenaar.
Waar komt Stille Willem plotseling vandaan? Dat is te danken – te wijten volgens Michel – aan een familielid van P., namelijk zijn oom Harry. Deze is begin deze eeuw zakelijk bevriend geraakt met Endstra. Voor wie bekend is met de zaken van de vermoorde vastgoedman en het proces tegen zijn afperser Willem Holleeder heeft gevolgd, is oom Harry geen onbekende. Zijn stem klinkt regelmatig op de zogenaamde Keuken-tapes, de geheime opnamen die Willem Endstra in de jaren voor zijn dood maakte van gesprekken met zakenpartners in het keukentje van zijn kantoor. Harry P. was namens Endstra onder andere betrokken bij de afwikkeling van de erfenis van de gebroeders Driesen, de Bredase vastgoedtweeling die in 2001 bruut werd vermoord.
Maar dat is een heel ander verhaal. Hoe dan ook, via oom Harry komt Michel in contact met de vastgoedtycoon, die een voorkeur heeft voor financiële avontuurtjes in het grijze gebied tussen boven- en onderwereld. Wanneer welke afspraken zijn gemaakt en door wie precies, blijft ook voor justitie onduidelijk. Feit is dat Endstra de Spaanse stukken in handen heeft. Daarvoor zou hij P. 1,4 miljoen euro hebben toegezegd, aldus betrokkenen. Dat is opmerkelijk, omdat alleen al de aanschaf van het bezit Michel meer dan twee miljoen euro heeft gekost. Ook is frappant dat het geld nooit is betaald door Endstra of door zijn nabestaanden. Het Openbaar Ministerie heeft zo zijn eigen gedachten over de curieuze transactie. ‘Het vermoeden bestaat dat W.A.A.P.M. Endstra getracht heeft het vermogen van Michel P., na diens aanhouding op 22 april 2003, veilig te stellen.’
Als P. achter de tralies zit, gaat de officier van justitie van het BOOM maar eens buurten bij de dan nog levende Endstra. Het OM wil graag de gewraakte stukken van de vastgoedman. Die werkt uiteindelijk mee en schrijft er zelfs een toelichting bij. Hij zegt in een uitvoerige brief dat ook hij is wezen kijken bij het huis van Prince. ‘Er hingen in de luxueus ingerichte villa [...] nog foto’s van Prince,’ meldt de vastgoedhandelaar aan de officier. Maar zijn voorkeur ging uit naar het bezit van Michel P. ‘Wij kwamen een koopsom overeen van 1,4 miljoen euro. [...] Na terugkeer in Nederland merkte ik dat het mij tijdelijk onmogelijk was mijn betalingstoezegging na te komen. Daar waren enkele specifieke redenen voor, waar ik niet gedetailleerd op in wil gaan. Ik wil slechts meedelen dat een van deze redenen is dat door onder meer het lekken naar de pers door justitie en politie van informatie uit mijn dossier mijn kredietfaciliteiten medio 2003 ingrijpend zijn gewijzigd.’ (Zie de brief van Endstra)
Justitie krijgt een veeg uit de pan. Geen woord over afpersingen door de groep Holleeder, maar een ding is duidelijk: Endstra kan niet betalen. En die openstaande schuld aan Michel P. is ook na de dood van de vastgoedhandelaar een probleem. Want wat blijkt? Hoewel hij de koopsom niet heeft voldaan, heeft de Amsterdamse zakenman de grond wel doorverkocht.
Lullig voor P. Enerzijds telt justitie zijn Spaanse avontuur op bij zijn crimineel vermogen, anderzijds heeft hij geen stuiver gezien van zakenpartner Endstra. Het is overigens niet de enige ‘affaire’ tussen Endstra en de hennephandelaar. In het ontnemingsonderzoek is bijkans nog meer aandacht voor het Scheveningse vastgoed van de verdachte. En ook dat bezit is overgenomen door Endstra.
Het gaat om een luxueus appartement aan Zeekant, een straat aan de kust van Scheveningen. Hoewel in de officiële stukken de naam van Michel niet voorkomt, gaat justitie er vanuit dat hij de eigenaar is en heeft hierop beslag gelegd. Het is ook de plek waar P. in april 2003 werd aangehouden. Op papier is de constructie met het Nederlandse bezit bijna nog ingewikkelder dan het Spaanse traject. Onduidelijke kadastrale stukken, geldtransacties via Engeland, gedonder met huurcontracten, een nooit terugbetaalde lening aan de Surinaamse drugshandelaar Guptar, die P. naar eigen zeggen niet eens kent, ruzie met een bedrijf dat Loeff’s Patent Asia Ltd. heet, in Hongkong is gevestigd en handelt in patenten voor archiefkasten. En om het feest compleet te maken krijgt Willem Endstra via een stroman het pand op 18 juni 2003 op zijn naam.
Bonnetje open
Tja. Het lijkt vragen om moeilijkheden. Weinig is de afgelopen jaren zo secuur uiteengerafeld als de boekhouding en de investeringen van de in mei 2004 vermoorde vastgoedhandelaar. Of de opsporingsinstanties juist daarom het vizier op Michel P. hebben gericht, is ongewis. Zelf is hij daarvan overtuigd. ‘Ik had nooit met die man in zee moeten gaan. Voor ik Endstra ontmoette kende niemand me. Drie maanden voor ik vast kwam te zitten ben ik pas met hem in contact gekomen.’ Dan, cynisch: ‘Dankzij mijn lieve oom Harry. Willem Endstra heeft me gewoon opgelicht. Meneer Endstra heeft mijn spullen verkocht zonder mijn toestemming. Dat geldt voor Spanje maar ook voor Nederland.’
En dus heeft P. nog een appeltje te schillen met de Endstra’s. Toen Michel vastzat en Willem Endstra was vermoord, is diens broer Haico nog op bezoek geweest in de gevangenis. Daar is de opvolger van de vastgoedtycoon te verstaan gegeven dat P. zijn geld terug wil. Om de zaken te bespoedigen en vrijelijk met de aandelen te kunnen handelen, heeft ook een andere bekende speler uit de hofhouding van Endstra zijn diensten beschikbaar gesteld. Bram Zeegers, de juridisch adviseur van ‘de bankier van de onderwereld’ die in september 2007 op mysterieuze wijze het leven liet, werd in 2005 naar Miami gestuurd om te zorgen dat de Spaanse stukken (aandelen aan toonder) op naam van Endstra zouden komen te staan. Toen mevrouw Garcia als directeur dat weigerde, ontstond een patstelling, waarbij de partijen elkaar flink in de haren vlogen (zie voor e-mailverkeer van Bram Zeegers). Er zijn daarna ettelijke onderhandelingssessies geweest tussen de P.’s en de Endstra’s, waarbij Michel werd bijgestaan door een ander later liquidatieslachtoffer, Evert Hingst, de consigliere van verschillende Amsterdamse topcriminelen die in 2005 werd doodgeschoten. Tijdens die bijeenkomsten vielen harde woorden, een betrokken advocaat uit het kamp van Endstra spreekt zelfs van bedreigingen. Het zijn gesprekken geweest met mensen waarvan Haico tegen Amsterdamse rechercheurs met gevoel voor understatement ooit zei: ‘Ik ben niet zo gewend met ze om te gaan.’ Tot op de dag van vandaag heeft Michel P. zijns inziens een vordering op de vastgoedfamilie. Er staat nog ‘een bonnetje open’, zoals dat heet (zie de brieven van Endstra’s advocaat).
Advocaten, vriendinnen, overzeese rechtspersonen, dubieuze vastgoedhandelaren. Sommigen inmiddels gewelddadig aan hun einde gekomen. Het OM ziet een heel scala aan natuurlijke en rechtspersonen die P. heeft gebruikt om zijn vermogen af te schermen. Zelf ziet P. dat heel anders. Types als Willem Endstra en Evert Hingst hebben hem het bos ingestuurd. Het waren dergelijke fiscaal onderlegde mensen die hem adviseerden het geld van de Chinees in Zwitserland en België te stallen. Toen Michel in maart 2003 werd gearresteerd, heeft Evert Hingst zelfs nog geprobeerd om de Zwitserse tegoeden per omgaande naar andere rekeningen over te boeken. De verbalisant van de politie heeft het droog genoteerd: ‘Hierbij werden door Michel P. en [zijn vriendin] onherroepelijke volmachten getekend ten gunste van E.C. Hingst mbt de te verrichten handelingen bij de UBS Bank.’
Scoringsdrang
Terug naar het uitgangspunt: de Nederlandse overheid wil via de rechter de drugshandelaar zijn crimineel verkregen vermogen ontnemen. Een op het oog alleszins redelijk en rechtvaardig uitgangspunt. Maar ligt niet het gevaar van scoringsdrang op de loer? Rechtsgeleerde Stijn Franken vraagt het zich af. Volgens hem is het uitgangspunt van de ontnemingwetgeving geweest om het daadwerkelijk verkregen voordeel bij de verdachte weg te halen. Maar het toepassingsbereik is zo groot geworden, volgens Franken, dat dit principe door ‘ruimhartige aanvaarding van vermoedens, hypotheses en extrapolaties’ naar de achtergrond dreigt te verdwijnen. Hij geeft een voorbeeld: stel een drugshandelaar wordt gepakt, maar hij heeft zijn winst alweer geïnvesteerd in een partij die ook door justitie in beslag is genomen. Dan heeft hij in feite geen voordeel meer. Daarvan heeft de Hoge Raad toch bepaald dat de verdachte aansprakelijk is. ‘Dan,’ zegt Franken, ‘is de ontneming een straf geworden.’
Nederland is in ontnemingszaken al een paar keer door het Europese Hof op de vingers getikt. Onder andere in het zogenaamde Geerings-arrest, waarin de Nederlandse rechter volgens zijn Europese collega’s de onschuldpresumptie uit het oog heeft verloren. P.’s advocaat Jozef Rammelt beriep zich erop in zijn pleidooi. Ook viel de raadsman erover dat bij een criminele organisatie die bestaat uit veertig man, er slecht één een strafrechterlijk financieel onderzoek aan zijn broek krijgt. En hij gaf en passant de banken een veeg uit de pan. ‘Ze werken aan alles mee, adviseerden mijn cliënt in van alles. Maar als het woord “witwassen” valt, dan laten ze je vallen als een baksteen. Als de zon schijnt, houden ze de paraplu op. Als het regent trekken ze hem schielijk terug.’
Kortom, zijn cliënt is Barbertje. En P. moet hangen, terwijl talloze anderen ongemoeid worden gelaten, mensen die ook betrokken zijn geweest bij de drugshandel. En dat Michel wellicht wat vreemde bewegingen heeft gemaakt met zijn kasgelden is ook te verklaren: incapabele adviseurs en schijnheilige banken zijn daar debet aan.
Veel soelaas heeft het verweer niet geboden. Op 13 mei sprak de meervoudige kamer van de Haagse rechtbank haar oordeel uit. En dat was onverbiddelijk. Het plussen en minnen van het BOOM werd volledig gehonoreerd. Michel P. uit Zoeterwoude heeft een maatregel opgelegd gekregen van ruim zes miljoen euro. De advocaat van P. heeft inmiddels hoger beroep aangetekend.
