VN MediagidsPlatte petten lekken door

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Justitie / crime / Politie 13.02.2007

Door Harry Lensink / Marian Husken

Jarenlang kregen criminelen vertrouwelij­ke informatie uit politiekringen. Maar nu ‘De Pet’ is gepakt, is het lek gedicht. Dat is wat de politie wil doen geloven. VN had inzage in het corruptiedossier van de Rijksrecherche en ziet lekken in vele vormen en gradaties: de politie is een vergiet.

Het zijn net gewone mensen. Ze roddelen en schelden, liegen en bedriegen, zijn jaloers, overijverig, lui, onnozel en sluw: de mannen en vrouwen van de politie willen uw beste vriend zijn, maar zijn vaak hun eigen ergste vijand. En de organisatie waarin ze werken, maakt het er niet gemakkelijker op. De politie kampt met archaïsche, hiërarchische structuren en incompetente meerderen, is gesloten als iets meer openheid wonderen zou doen, en op andere momenten zo lek als een zeef.

Dat is het beeld dat beklijft bij lezing van het dossier tegen Sjaak K., de van corruptie verdachte ex-rechercheur die de onderwereld zou hebben voorzien van gevoelige informatie. De Rijksrecherche deed onderzoek naar corruptie, hoorde veel ambtenaren van K.’s laatste werkgever de Nationale Recherche, en ging ook buurten bij z’n voorlaatste baas, de Amsterdamse politie.

Was het toeval dat Sjaak K. begin vorig jaar werd gearresteerd? Waarschijnlijk niet. Terwijl justitie zich waagde aan heikele zaken als de vervolging van de Hells Angels en de groep-Holleeder, kwam de aanhouding van K., alias ‘De Pet’, wel heel goed uit. Want potentiële getuigen waren tot voor kort huiverig om bij de politie verklaringen af te leggen. ‘Ik ben niet levensmoe. Als ik praat, ligt het de volgende dag op straat,’ was het veelgehoorde excuus. Terechte angst: Willem Endstra en Cees Houtman werden vermoord nadat ze de recherche explosieve informatie hadden gegeven.

Dat gevaar van represailles of voorzorgsmaatregelen was met de aanhouding van ‘De Pet’ geweken, zo leek het. De rotte appel was verwijderd. ‘Het lek is gedicht, dat weet ik zeker,’ zei een commissaris vorig jaar tegen VN. ‘Ik heb criminelen gesproken die hebben aangegeven dat de informatiestroom is opgedroogd.’

Maar dat is schone schijn. ‘De Pet’ blijkt geen eenpersoonsleger dat gaten schiet in de opsporingsorganisatie. ‘De Pet’ is een metafoor voor een veel groter probleem. Wie de rechtbankagenda volgt, ziet met regelmaat zittingen tegen van corruptie verdachte ambtenaren. Zo werd onlangs nog een Amsterdamse rechercheur uit het korps gezet die werkte bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), de afdeling waar bij uitstek gevoelige informatie binnenkomt. Ook wordt op dit moment een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen vervolgd voor het schenden van zijn ambtsgeheim: hij had een bedrijf getipt over een op handen zijnde politiecontrole. En de ex-partner van een officier van justitie koesterde wraakgevoelens: hij verkocht informatie uit haar computer aan criminelen.

Het maakt de volgende verzuchtingen begrijpelijk. ‘Ik heb het gevoel dat tien jaar lang alles eigenlijk heel moeizaam verliep,’ stelt een Amsterdamse rechercheur, die in het corruptieonderzoek door de Rijksrecherche als getuige wordt gehoord. ‘Er werden eigenlijk geen successen geboekt tegen hoofdverdachten. De grote criminelen werden niet gepakt.’ Een andere collega: ‘Bij het Kernteam Amsterdam en later bij de Nationale Recherche leek het bijna standaard dat er informatie werd gelekt.’ Ook Jan van Looijen, chef van de Amsterdamse CIE, haakt in. ‘Het onderwerp corruptie is binnen de afdeling veelvuldig besproken. Ik heb er zelf ook veel problemen mee gehad omdat processen-verbaal van mij ook gepubliceerd zijn, onder meer in De Telegraaf. De tegenstander wordt zwaar onderschat. De criminelen richten zich al jaren op corrumptieve contacten.’

Tegelijkertijd vragen betrokkenen zich af of de oorzaak van het uitlekken van informatie wel altijd bij corruptie ligt. Een politieman, ondervraagd door de Rijksrecherche: ‘Onderzoeken liepen wel eens anders dan we dachten. (…) Ik dacht dat hogere belangen een rol speelden. Het kan ook zijn dat er lekken waren. Maar ik dacht echt dat het strategische keuzes waren dat we op bepaalde mensen niet werkten. Achteraf durf ik wel te zeggen dat deze strategische keuzes niet altijd juist zijn gebleken.’

Corruptie, of de schijn ervan, is overal, altijd. Zoveel blijkt wel uit het Rijksrecherche-onderzoek naar het ‘Grote Lek,’ rechercheur Sjaak K., die door het OM alles op zijn bordje kreeg geschoven. Uitvoerig komen in dit onderzoek collega’s, meerderen, familie, criminelen en journalisten aan het woord over de ‘lekken’ bij opsporingsinstanties. Het gaat om lekkage in vele vormen, waar K. niets mee van doen lijkt te hebben. Vrij Nederland zet ze voor u op een rijtje: van regelrechte omkoping tot groteske stupiditeit.

1 Corrupt lekken

Met de opkomst van de grootschalige drugshandel eind jaren tachtig en de daaruit voortvloeiende miljoenenstromen zijn de belangen zo groot geworden, dat contraspionage een must is voor criminele organisaties. Een getuige in het onderzoek tegen Holleeder verwoordde het vorig jaar zo tegen de politie: ‘Er wordt ontzettend veel geld uitgegeven om jullie gedachten te leren kennen. Maandelijks worden er nog honderden, duizenden euro’s betaald om in jullie computer mee te kijken. Of informatie in de computer zelf te zetten als het nodig is.’

Corruptie is, kortom, een verleiding die continu op de loer ligt. Een meester in het omkopen van opsporingsambtenaren was de Amsterdammer Jan Femer, bijgenaamd De Snor, die in 2000 werd doodgeschoten. Hij zat in de jaren negentig in de zogeheten Delta-organisatie, waarin verder Stanley H. en Mink K. een hoofdrol speelden. Femer schepte openlijk op over zijn ‘platte’ contacten, zoals corrupte politiemensen in goed jargon heten: ‘We konden alles binnenhalen wat we wilden: coke, heroïne, hasj, plutonium, wapens, semtex. Honderd kilo, geen probleem. Duizend kilo, geen probleem. Bij wijze van spreken. Iedereen is te koop,’ zei de crimineel in het boek De Erven Bruinsma, dat kort voor zijn dood verscheen.

Na zijn liquidatie vond de politie een telefoonboekje met nummers van enkele ex-rechercheurs. Hoe Femer te werk ging, blijkt uit een voorbeeld in het huidige corruptiedossier. Midden jaren negentig was de topcrimineel Femer op zoek naar informanten binnen het politiekorps. Hij had zijn oog laten vallen op Sjaak K., een rechercheur die hem eerder had verhoord. Via een oud-collega van K. liet hij weten hier ‘wel 25.000 gulden’ voor over te hebben. Sjaak ging er niet op in en meldde het voorval aan zijn meerderen. Hoewel de rechercheur zich destijds keurig heeft gedragen, vindt de Rijksrecherche het akkefietje nu met terugwerkende kracht verdacht.

Sjaak zei nee. Een minder standvastige collega hapte begin jaren negentig wel toe. In 1993 werd de Amsterdamse inspecteur Cor B. ontslagen. Hij was op heterdaad betrapt toen hij een envelop aan Femer overhandigde. B. voorzag Femer in die dagen van gegevens over kentekenregistratie. Dertien jaar na dato legt de destijds ontslagen politieman aan de Rijksrecherche uit hoe dat in zijn werk ging. ‘Jan Femer gaf tijdens een verhoor aan dat hij graag een informant van de politie wilde worden. Het gaf hem status. Hij wilde de politie af en toe wel een visje toewerpen, om dan aan de andere kant van de stad met een vrachtwagen weg te komen.’

Femer had als een van de eersten een mobiele telefoon, zegt Cor B. ‘Hij gaf aan zijn platte contacten semafoons. Hij kon dan via een code laten weten dat ze contact met hem moesten opnemen.’ Volgens Cor B. onderhield Femer een legertje aan ‘platte petten,’ van wie er niemand ooit werd aangehouden. Behalve hijzelf dan. ‘Femer schepte op dat hij wel dertig overheidscontacten had. Volgens mij was dat wel overdreven, maar het waren er in ieder geval een stuk of tien. Hij had dus beslist meerdere contacten.’ Dat waren niet alleen politiemensen, maar ook ambtenaren bij de douane en andere overheidsdiensten, stelt de oud-rechercheur.

Over de voordelen van ‘spionnen’ binnen de politie geeft een voormalige collega van de corrupte rechercheur Cor B. een mooi voorbeeld. Deze agent kreeg een tip dat er gestolen goederen in een loods van Femer lagen. Hij liet dat aan B., zijn meerdere, weten. Dat had hij kennelijk beter niet kunnen doen. Toen de politie een dag later een huiszoeking deed, trof ze een leeg pand. ‘Femer zat glimlachend op ons te wachten, hij had ons kennelijk verwacht.’

Zoals het zakenleven zich verzekert van con­tinuïteit in de bedrijfsvoering, zo zorgt de top van de Nederlandse onderwereld ook voor de organisatie. Cor­rupte contacten worden vrijelijk gedeeld om de stroom informatie te waarborgen. Cor B. tegen de Rijksrecherche: ‘Als Jan Femer een politieman plat had en hem (Femer, red.) zou iets overkomen, dan werd de volgende in lijn van de criminelen de eigenaar van dat contact.’

Ondanks deze voorzorgsmaatregel ontstond er na de liquidatie van Femer in 2000 een vacature ‘informatiemanagement’. Fe­mers buddy, de beruchte drugs- en wapenhandelaar Mink K., was namelijk niet in staat om persoonlijk de honneurs waar te nemen: hij zit in de gevangenis. De gedetineerde topcrimineel is in het corruptiedossier zeer openhartig tegenover de Rijksrecherche die hem bevraagt over zijn politieliaisons. ‘Ik heb gezegd: luister jongens, ik zit vast, maar wij moeten toch op de hoogte blijven van de lopende zaken, dus heb ik Dino bij die man geïntroduceerd.’

‘Dino’ is Dino S., een Amsterdammer die een prominente rol speelt in het hoofdstedelijk milieu en een ‘stille kracht’ zou zijn naast de leiders Stanley H. en Willem Holleeder. Justitie gaat er vanuit dat deze drie mannen de dienst uitmaken in de onderwereld. Dat is ook wat vastgoedman Willem Endstra eerder vertelde aan de politie: hij zei in 2003 dat Holleeder en de zijnen de corrupte contacten van Mink K. hadden overgenomen. Endstra was bang dat de ‘platte’ politieman zijn vijand Holleeder op de hoogte zouden brengen van zijn biecht bij de recherche. Geen onterechte angst, want een jaar later werd Endstra inderdaad doodgeschoten.

Ook Mink K. lijkt in 2006 daarvoor bang te zijn. In een gesprek met zijn vriendin dat door de politie is afgeluisterd, bevestigt de gedetineerde crimineel niet alleen dat zijn voormalige maatjes zijn ‘contacten’ in de opsporingswereld hebben overgenomen, hij spreekt ook over zijn angst te worden vermoord. ‘Want de liquidaties die er gepleegd zijn, zijn op dusdanige wijze gepleegd dat ze van binnenuit altijd hebben geweten waar hun tegenstander mobiel was, waar ze woonden, waar ze waren. Ze waren uitzonderlijk goed geïnformeerd, te goed, te goed! Snap je. (…) ik weet dat ze onze oude contacten gebruiken, mijn contacten ook.’

Het zijn niet alleen ‘welingelichte kringen’ bij de politie waar de groep rond Stanley H. over beschikt. Ook bij andere overheidsdiensten sijpelt informatie weg, zo blijkt uit politiestukken. Een Amsterdamse rechercheur verhaalt tegenover de Rijksrecherche uitvoerig over ene ‘Pjotr,’ een zware jongen die ook meermalen heeft geprobeerd om ambtenaren voor zijn karretje te spannen. En er is bijvoorbeeld een Haagse connectie. Een Amsterdamse rechercheur zegt hierover: ‘Deze (…) gaf in telefoongesprekken aan, dat hij klussen voor de overheid deed in het buitenland. Het staat mij bij, dat hij in een gesprek gebruik maakte van een telefoon van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit onderzoek bleek, dat (deze man) vriendschappelijke banden had met een agente. (Pjotr) zijn belangstelling was toen onmiddellijk gewekt en vond het een zeer interessant contact, wat hij graag wilde gebruiken.’

Dat het gebeurt is evident, dat de onderwereld er baat bij heeft ook, maar waarom gaat een opsporingsambtenaar in op avances van een crimineel? Soms is het een ‘schuld’ die wordt verzilverd. Femer gaf zelf het voorbeeld van een inspecteur voor wie hij ooit een klusje had geklaard. Dat kon de man uit hoofde van zijn functie zelf niet doen, volgens de crimineel: het ging om geweld tegen iemand die de politieman had dwarsgezeten. Femer, in het boek De Erven Bruinsma: ‘Die man staat bij ons altijd in het krijt. Doet op een ander moment, in een andere positie, graag iets voor ons terug. Omdat hij het nooit vergeet. Die man komt nu uit zichzelf met informatie naar ons toe.’

Een verwante methode om politiemensen onder druk te zetten, is chantage. Wie ooit een foutje maakte, kan daar de rest van zijn carrière mee worden geconfronteerd. Dat scenario komt bovendrijven als de recherche wil weten waarom ex-rechercheur Martin Hoogland, die in de jaren negentig werd veroordeeld voor de moord op godfather Klaas Bruinsma, uiterst geheime informatie in zijn cel heeft liggen. Een bevriende medegedetineerde heeft wel een idee waarom Hoogland zoveel kennis van binnenuit kreeg: hij gebruikte zijn politieverleden om informatie los te krijgen. ‘(Martin vertelde) dat hij wel eens een heterdaadsituatie had waarbij drie kilo cocaïne of heroïne in beslag werd genomen. Hij was toen met een collega. Ze keken beiden opzettelijk een andere kant op en de verdachte ontsnapte. Die drie kilo hebben ze samen verdeeld.’ Volgens de celmaat kwamen dergelijke ‘vuiltjes’ goed van pas om iemand binnen het korps later onder druk te zetten. ‘Zo was Martin wel.’

Tenslotte is er natuurlijk het meest banale argument: geld. Wie zichzelf in de schulden heeft gestoken of een dure verslaving moet financieren, kan voor kortetermijnkredieten gemakkelijk terecht bij de criminelen. De lijnen tussen politie en onderwereld zijn immers kort, de ziel is gemakkelijk aan de duivel verkocht.

Een opvallende rol in het corruptiedossier wordt vervuld door journalist Bas van Hout, die als verdachte wordt gehoord. Van Hout heeft in het verleden meermalen beschikt over geheime informatie en is goed ingevoerd in het milieu. In Crime Café, een van zijn vroegere tv-programma’s, toonde hij zelfs zeer explosieve stukken, die ook bij criminelen als Martin Hoogland en Dino S. werden aangetroffen. De Rijksrecherche heeft voor het onderzoek zelfs banden van die programma’s opnieuw bekeken. Bij Barend & Van Dorp gaf de misdaadjournalist uitleg over hoe het allemaal werkt.

Van Hout: ‘Ik heb een tijd geleden een ex-politieman gesproken, die man is ontslagen. Zijn collega’s zijn allemaal doorgegroeid in rangen en standen en daar heeft hij nog steeds contact mee. Daar krijgt hij zijn informatie van. Maar die man is fout. Die man lekt nog steeds door aan het circuit.’

Van Dorp: ‘En crimineel lekken, bestaat dat bijvoorbeeld ook bij de politie? Dat als ze lekken, dat ze daar in ruil geld voor krijgen?’

Van Hout: ‘O, zeker. Dat weet ik honderd procent zeker.’

Maar Van Hout, ook niet gek, weet dat er verschillende verklaringen voor lekken zijn. Soms is de werkelijkheid gestuurd door de opsporingsinstanties zelf. ‘Misschien zijn ze (de politie) zelf wel oorzaak van het hele conflict (hij doelt op de oorlog in de onderwereld, red.). Omdat ze informatie hebben gelekt of in ieder geval op straat hebben gegooid, die onrust heeft veroorzaakt.’

Van Dorp: ‘Wacht even, jij zegt dus dat de politie eventueel gelekt heeft?’

Van Hout: ‘In ieder geval mensen bij de politie, dat staat vast.’

2 Tactisch lekken

Zelden wordt het hardop gezegd, maar feit is: de politie lekt soms bewust. Het is een probate tactiek om reuring in het milieu te veroorzaken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de media. Via ‘uitgelekte’ bestaande – of gefingeerde – informatie over moord, verraad en andere ‘zakelijke beslommeringen’ hopen de opsporingsinstanties op paniek bij de penoze. De gedachte is dat criminelen die deze verhalen lezen contact met elkaar zullen zoeken en zich mogelijkerwijs verspreken over de (afgetapte) telefoon. Dat is de min of meer geaccepteerde variant van tactisch lekken. Bijkomend motief is, dat de politie zo criminelen het leven zuur kan maken. Het risico dat als gevolg van de ‘gelekte’ informatie de gangsters elkaar te lijf gaan, is een ‘bedrijfsrisico’.

Vorig jaar gaf Sjaak K., de hoofdverdachte uit het corruptiedossier, in VN een voorbeeld. De ex-rechercheur was rond 2000 be­trokken bij het onderzoek naar de witwasprak­tijken van Endstra. ‘Een politiechef zei: we gaan hem strafrechtelijk aanpakken, en als het niet lukt, dan maken we hem publicitair kapot. Toen Endstra een tijdje daarna werd doodgeschoten, heb ik tegen een collega gezegd: dat hebben wij gedaan. Wij van de politie.’

Deze uitspraak indachtig is het op zijn minst curieus en misschien zelfs verontrustend om het volgende te lezen in datzelfde corruptiedossier: ‘De redactie van het televisieprogramma Nova ontvangt regelmatig een envelop met verslagen van telefoontaps aangaande Endstra.’ Dat staat in een proces-verbaal van de CIE dat door de Rijksrecherche wordt aangehaald. ‘Die verslagen zijn gemaakt door de FIOD, de politie Amsterdam of Kennemerland.’

Tja. Er is geen bewijs dat de betrokken opsporingsinstanties uit frustratie de media hebben gezocht, om zodoende Endstra – die ze maar niet te pakken kregen – alsnog een douw te geven. Maar feit is dat er in de jaren voor zijn dood veel justitiële informatie over de suspecte vastgoedman in kranten en televisieprogramma’s is opgedoken.

Een zelfde reuring-scenario lijkt zich ook te hebben afgespeeld rond enkele zeer omstreden processen-verbaal, afkomstig van de Amsterdamse CIE. Hierin werd onder meer gesproken over dodenlijsten met daarop namen van criminele kopstukken. Voorbeeld: een fragment uit een proces-verbaal van 18 maart 2002: ‘Door de mensen van John Mie­re­met is vervolgens Magdi Barsoum geliquideerd. Men is er van overtuigd dat er een reactie van de Joegoslaaf Joca gaat komen en mogelijk zijn er van hem al mensen onderweg. Mogelijk volgende slachtoffers zijn: Wil­lem Holleeder, Willem van Boxtel (ex-Hells Angels-president, red.) en Willem Endstra.’

In een verbaal van twee dagen later staat: ‘Evert Hingst staat op een dodenlijst waar ook Mink K. op staat. Een en ander in verband met problemen tussen hun organisatie en een groepering criminelen waaronder de Joegoslaaf Jocic. Evert Hingst wordt er van verdacht informatie door te geven aan een overheidsdienst omtrent zijn criminele relaties.’ Hingst was onderwereldadvocaat en werd vorig jaar geliquideerd.

De verbalen lekten voor het eerst uit in De Telegraaf in 2002. Later doken de stukken ook op in andere media. Vier jaar later wil de Rijksrecherche weten hoe verslaggever John van den Heuvel aan zijn informatie is gekomen. De journalist zwijgt uiteraard over zijn bronnen. De rechercheurs leggen hem het vuur na aan de schenen. Is Van den Heuvel niet bang dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling? En dan geeft de reporter een cryptisch, doch veelzeggend, antwoord: ‘Er zijn toch ook varianten denkbaar? Het verschijnsel “bewust lekken” kennen wij natuurlijk ook. Dat zie we bijna dagelijks in de krant.’

Wat zegt Van den Heuvel hier impliciet? Dat het best zo zou kunnen zijn dat de politie hem doelbewust inzage heeft verleend in de processen-verbaal. Met andere woorden: het lijkt alsof er tactisch is gelekt. In een andere passage van het verhoor benadrukt de misdaadverslaggever dat nog eens: ‘Er is van de zijde van de politie Amsterdam nooit, op wat voor manier dan ook, toespeling op gemaakt of impliciet of expliciet duidelijk gemaakt dat dát (het door criminelen gestolen informatie zou zijn, red.) het geval zou zijn. Sterker nog, ik heb met Pronker (Jan Pronker, commissaris van politie, red.) uitvoerig over de inhoud van die processen-verbaal gesproken.’

Er was officieel dan ook geen tumult over de publicaties in De Telegraaf in 2002. Toch waren de consequenties van dit lekken dodelijk, meent topcrimineel Mink K.: ‘(Het) heeft volgens mij geleid tot afrekeningen in het criminele milieu. Er stond namelijk informatie in dat bepaalde criminelen van plan waren bepaalde andere criminelen te vermoorden.’

Het kan nog erger. Een jaar later smulde de journalistiek weer van onthullende politie-informatie. Tientallen pagina’s van liquidatiescenario’s lagen op straat. In deze zogeheten Powerpoint-presentatie stonden opnieuw allerlei namen van topcriminelen en hun onderlinge verbintenissen. Voor het eerst werden delen van deze ‘voorstelling’ getoond in Crime Café, een misdaadprogramma van Bas van Hout. In de bewuste uitzending zat ook Telegraaf-journalist John van de Heuvel, de vermoedelijke bron van de getoonde stukken. Hij bevestigt dat het ‘gelekte informatie’ is, die ‘absoluut afkomstig is van de inlichtingendienst’.

Weer stond de politie in haar hemd, erkent de Amsterdamse CIE-chef Jan van Looijen tegenover de Rijksrecherche. ‘Door de onderlinge samenhang van de gebruikte informatie was het erg gevoelig en daarom ook gevaarlijk,’ zegt hij. ‘De risico’s waren groot omdat criminelen er hun eigen conclusies aan konden verbinden. Het was gewoon een bom.’

Blijkbaar had iemand van binnenuit de uiterst gevoelige stukken doorgespeeld. Maar was dat wel zo? Wie kon er eigenlijk beschikken over de Powerpoint-presentatie? Een analist tegenover de Rijksrecherche: ‘John Olie­rook (teamleider, red.) kwam bij ons met het verzoek om de presentatie op een cd-rom te branden en deze (aan de bij de opsporing betrokken justitie- en politiemensen) uit te reiken. Wij waren het daar niet mee eens, omdat het vertrouwelijke informatie betrof. (Mijn collega) heeft nog aan John Olierook aangegeven dat er een risico zou zijn dat de informatie op “straat zou komen te liggen”. John Olie­rook zei ons dat hij van Jan Pronker (commissaris, red.) opdracht had gekregen om de presentatie op cd-rom te branden en deze aan de toehoorders uit te reiken. Wij hebben ons bij deze beslissing neer moeten leggen.’

Kennelijk was de ‘bom’ waar Jan van Looij­en het over heeft, juist bedoeld om af te gaan: meer dan veertig mensen konden er over beschikken. Hoofdverdachte Sjaak K., rechercheur met dertig jaar ervaring, zei het al eerder in VN: ‘Nou, als je er veertig laat maken, wil je dat het weglekt. Vervolgens vallen er doden in de onderwereld. Heel vervelend.’

Ondanks het ‘explosiegevaar’ zijn er nog ettelijke exemplaren van de presentatie nadien gegeven aan mensen die niet op de bijeenkomst waren. ‘Er hoefde ook niet getekend te worden voor ontvangst of zo. Het leek op de verstrekking van een “hebbedingetje”,’ zegt een betrokkene, die niet eens formeel uitgenodigd was voor de bijeenkomst. Een uiterst geheim document, maar bijna even makkelijk te krijgen als een boek in de openbare bibliotheek.

3 Klunzig lekken

Soms is de oorzaak van weglekkende informatie een stuk banaler. Dan is er helemaal niet over nagedacht. Sterker nog: is er sprake van regelrechte stupiditeit. Bijvoorbeeld als politiemensen pikante zaken uitwisselden die werden opgepikt door scannerluisteraars (dat kon tot voor kort; met het nieuwe communicatiesysteem C2000 is afluisteren onmogelijk). Al jarenlang beschikken criminele organisaties over een eigen ‘contra’-afdeling, die bijvoorbeeld observatieteams van de politie in de gaten houdt. De spionnen worden bespioneerd.

Het is ook gemakkelijk om informatie van de politie te ‘stelen,’ zeggen getuigen in het onderzoek. Een rechercheur van de Nationa­le Recherche, die eind jaren negentig onderzoek deed naar de geldstromen van Endstra, vertelt hoe de computers van het Am­ster­damse korps en landelijke recherche-eenheden aan elkaar werden gekoppeld. ‘Na die koppeling hadden we allemaal het gevoel dat er steeds meer info uit onze onderzoeken op straat lag.’ Bijvoorbeeld een handcomputer die bij de in 2000 geliquideerde topcrimineel Sam Klepper werd aangetroffen, met daarin alle kentekens van zijn team. ‘Daar zaten zelfs kentekens bij die nog niet bij ons in gebruik waren. Die waren wel voor ons bestemd, maar de auto’s moesten nog komen.’

In het recente onderzoek tegen de Hells Angels kampten politiemensen met hetzelfde probleem, vertelt een betrokkene: ‘Je loopt er vaak tegenaan dat bakens en afluisterapparatuur die je plaatst in de voertuigen van criminelen, ontdekt worden. Of dat nou allemaal door technische fouten komt, weet ik niet. In het Acroniem-onderzoek (tegen de Hells Angels, red.) werd alles ontdekt dat we op dat vlak deden.’

Dat er af en toe wat weglekt, is onvermijdelijk. Of, zoals een Amsterdamse rechercheur het zegt: ‘Informatie-uitwisseling binnen de politie is de normaalste zaak van de wereld, sterker nog: daar leven we van.’ Maar we maken er soms ook een rommeltje van, lijkt de boodschap van teamleider Johan van der Werf, die zich in zijn verhoor een warm pleitbezorger toont van operatie ‘clean desk’. ‘Ik controleerde ook regelmatig bureauladen en dergelijke, om te zien of de afspraken rondom clean desk en afsluiten van kasten werden nageleefd. Ik heb diverse mensen hierop aangesproken.’

Als rechercheurs niet omzichtig genoeg te werk gaan, lopen ze in de gaten. In de jaren negentig observeerden leden van het Amsterdamse korps een verdachte van drugshandel. De vrouw woonde in een zijstraat van de Rozengracht en twee politiemensen in burger stonden te posten schuin tegenover haar huis. ‘Ze had het meteen door,’ zegt een betrokken rechercheur. ‘We luisterden haar telefoon af en ze zei: ‘Ik doe effe niets. Ze staan hier voor de deur!’ Nou, dat onderzoek was stuk. Maar die twee rechercheurs beweerden bij hoog en laag dat niemand ze had gezien en dat het dus een lek van binnenuit moest zijn.’

Meer recentelijk is er het akkefietje met de bouwkeet bij het clubhuis van de Am­sterdamse Hells Angels. Volgens de tenlastelegging is Sjaak K. ook verantwoordelijk voor het lekken van informatie naar de motorbende. Toen de politie in de nacht van 16 op 17 oktober een inval deed bij verschillende afdelingen, viel de ‘opbrengst’ van de actie tegen. Al snel heette het dat de Angels van te voren waren ingelicht. Dat zou onder meer blijken uit een briefje dat werd gevonden in het hoofdstedelijke clubhuis. ‘Heren, binnenkort komen er invallen bij members thuis. Misschien ook hier. Informatie betrouwbaar. Pas op dus. Oebele’ en ‘Niet over praten i.v.m. apparatuur enz. Stilte!!’

Maar een politieman die betrokken was bij de inval geeft een andere verklaring. Het opsporingsteam dat het clubhuis van de Angels in de gaten moet houden, had een mooie stake out gezien, een handig observatiepunt. Het ging om een bouwkeet. De rechercheurs benaderden de eigenaar van de keet, een aannemersbedrijf. Ze vertelden dat ze het huisje nodig hadden om een verkrachter te observeren. Kort daarop spraken twee Angels in een afgeluisterd telefoongesprek met elkaar over ‘een bouwvakker’ die had gehoord dat de politie de club ging observeren. De Angels besloten om de rest van de club te waarschuwen. Kennelijk had de man van de keet zijn buren gealarmeerd. De betrokken rechercheur: ‘Ik weet uit ervaring dat het dan gebruikelijk is dat er in het clubhuis een briefje wordt opgehangen om de mensen te informeren.’

Een slimme bouwvakker die de tegenpartij informeert. Was het te voorkomen? Misschien. Maar onvermijdelijk of onbenullig, het doet er niet toe, het is hoe dan ook een voorbeeld van onbedoeld ‘lekken’. Een Amsterdamse politieman die jarenlang de Hells Angels ‘in portefeuille’ had, legt de oorzaak toch voor een deel bij zijn eigen werkgever. ‘De manier van werken brengt met zich mee dat vertrouwelijke informatie bij de verkeerde mensen terecht kan komen. Vanuit de organisatie moet praktisch gezien een grote groep mensen in het onderzoek betrokken worden, zij moeten geïnformeerd worden over de stand van zaken. Naar mijn mening is de groep te groot, onze organisatie is een vergaderorganisatie. Bovendien houden we niet van geheimzinnigheid, alles moet open en besproken worden, er kan bijna niets vertrouwelijk worden onderzocht.’

4 Schijnlekken

Soms is een lek geen lek. Dan heeft de politie niets te maken met de informatie die in het criminele milieu of in de media opduikt. Enkele verhoorde rechercheurs geven de dagboekaantekeningen van Willem Endstra als voorbeeld. Op 22 juni 2005 publiceert Nieuwe Revu delen van deze krabbels. In eerste instantie vreest de politie dat er een ‘lek’ in het onderzoeksteam zit en dat de zaken van de roemruchte zakenman Endstra ook na diens dood nog steeds worden doorgesluisd naar zijn belagers. In dit geval kon de politie opgelucht ademhalen: uit onderzoek bleek dat de gepubliceerde aantekeningen niet uit opsporingskringen afkomstig waren.

Een ander ‘schijnlek’ betrof ook Endstra. In de zomer van 2000 plaatst een team van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) afluisterapparatuur in Endstra’s kantoor. Wat de politiemensen niet wisten, was dat hun actie werd opgenomen door camera’s van Endstra. De verdachte vastgoedbaron was van tevoren op de hoogte. Dat zal Sjaak K., betrokken bij het onderzoek naar Endstra, dan wel hebben gedaan, lijkt het vermoeden van de Rijksrecherche. Niets is minder waar. Vorig jaar kwam naar aanleiding van een uitzending van Peter R. de Vries naar buiten dat de secretaresse van Endstra verantwoordelijk was. De vrouw, die een relatie had met een politieman, was benaderd door de Criminele Informatie Dienst (CID, de voorloper van de CIE). Ze had daarop de sleutel van het kantoor aan de recherche gegeven, maar uiteindelijk wroeging gekregen. ‘Ik heb tegen Endstra gezegd dat ik was benaderd door de CID en dat ik contacten met hen onderhield.’ En dat verklaart waarom de Endstra op voorhand wist van de politieplannen.

Schijnlekken, dom lekken, tactisch lekken??… De gaten zijn nog lang niet gedicht, want het kan niet zo zijn dat één persoon verantwoordelijk is voor de stroom wegsijpelende informatie. Indachtig de wervingsslogan van de politie: die pet past ons allemaal. ‘De Pet’ is een bijnaam, een codewoord voor platte opspo­ringsambtenaren. Misdaadjournalist Bas van Hout legt het de Rijksrecherche nog maar eens uit. ‘De Pet? Daarmee wordt altijd iemand bedoeld die bij de politie of bij de overheid in het algemeen werkt. Ik ken niemand in het bijzonder die daarmee bedoeld wordt.’

Toch is het hoofddeksel voorlopig toebedeeld aan Sjaak K., die thuis zijn proces afwacht. Gebogen over zijn dossier stuitte hij op een wrange consequentie van zijn arrestatie op 16 januari 2006. K. werd meteen ‘in alle beperkingen’ vastgezet, dat wil zeggen dat contact met de buitenwereld niet mogelijk is. ‘Het aanhouden van De Pet en dit wereldkundig maken, heeft Thomas aan den lijve ondervonden,’ laat K. ons weten. Hij doelt op de moord op Thomas van der Bijl, die in april 2006 voor zijn café werd geliquideerd. Twee dagen na de aanhouding van ‘De Pet’ sprak de kroegbaas/hasjhandelaar voor het eerst vrijuit met de politie over de rol van Willem Holleeder in de Amsterdamse onderwereld. Wellicht waande Van der Bijl zich veilig – ten onrechte, zo blijkt. Of zoals Sjaak K. zelf een cynisch compliment geeft aan zijn voormalige werkgever, de Nationale Recherche, die met Van der Bijl een belangrijke (dode) getuige binnenhaalde: ‘Een heel knappe strategie.’