VN MediagidsEndstra was bang voor lek justitie

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Justitie / holleeder / crime 10.05.2006

Door Harry Lensink

Willem Endstra was bang dat zijn gesprekken met justitie zouden uitlekken naar Willem Holleeder. Dat vertelde de vastgoedman op 2 juli 2003 aan de Amsterdamse officier van justitie Koos Plooy.

Hij zei dat: ‘Willem Holleeder altijd overal van wist, precies op de hoogte was van waar (zijn) familieleden woonden en overal zijn voelhorens had.’ Dat staat te lezen in het proces-verbaal van het gesprek dat is toegevoegd aan het Holleeder-dossier en waar Vrij Nederland inzage in had.

Terwijl Willem Endstra in de zomer van 2003 ‘achterbankgesprekken’ voerde met rechercheurs van de criminele inlichtingen eenheid (CIE), werd hij door tussenkomst van de CIE-chef Jan van Looijen uitgenodigd om zijn verhaal te doen bij de officier van justitie Koos Plooy.

‘Willem Endstra gaf direct aan in het algemeen weinig vertrouwen te hebben in justitie’, meldt het proces-verbaal. ‘Hij vertelde dat er een strafrechterlijk onderzoek tegen hem gaande was, waarin hij de opstelling van het OM ervoer als een eenzijdige en verbeten jacht op hem, terwijl hij zichzelf onschuldig achtte aan strafbare feiten en terwijl echt gevaarlijke mensen in relatie tot liquidaties niet werden aangepakt.’

Vertrouwelijk
In het gesprek toonde officier Plooy ‘begrip’ voor Endstra’s wantrouwen. Om de vastgoedman gerust te stellen, benadrukte Plooy dat de ontmoeting ‘volstrekt vertrouwelijk’ zou worden gehouden. Naast recherchechef Van Looijen zou slechts CIE-officier van jusitie Frits van Straelen op de hoogte worden gebracht en ‘mogelijk’ nog de hoofdofficier van justitie. Daarnaast was Endstra’s advocaat Jurjen Pen aanwezig. Er waren kortom heel wat meer mensen op de hoogte van Endstra’s biecht dan alleen de ‘achterbank’-rechercheurs.

De inhoud van het gesprek op 2 juli komt verder grotendeels overeen met Endstra’s betoog vanaf de achterbank en zijn dagboekaantekeningen. De in 2004 vermoorde vastgoedman vertelde Plooy een jaar voor zijn dood dat hij al geruime tijd wordt afgeperst door Willem Holleeder, in ruil voor 'protectie'. Verder liet hij Plooy weten dat Holleeder pochte over het aantal liquidaties waarbij de Heineken-ontvoerder betrokken zou zijn geweest. Ook meldt hij dat anderen, onder wie zijn zakenpartner Klaas Hummel, zijn afgeperst door Holleeder en diens handlangers Dino S. en Stanley H.

Radicaal
Vervolgens zegt de officier dat het openbaar ministerie alleen iets voor hem kan betekenen als hij ‘tactisch bruikbare verklaringen’ aflegt. Officier Plooy legt Endstra uit dat hij onmogelijk als bedreigde getuige kan optreden, daar hij met zijn verhaal nimmer anoniem kan blijven. Wel wordt hem de mogelijkheid geschetst van een getuigenbeschermingsprogramma, maar tegelijkertijd benadrukt Plooy hoe ‘radicaal en ingrijpend’ zo’n stap zou zijn.

Volgens Plooy heeft een onderzoek naar afpersing pas kans van slagen als justitie er in slaagt om bewijs te vinden waarvoor Endstra zelf niet nodig is. Hij spoort de vastgoedman aan om ‘gedetailleerd per onderwerp’ na te denken wat hij kan verklaren en waar de recherche vervolgens mee uit de voeten kan.