VN MediagidsThuis bij de ouders van vmbo-klas 2K
Samenleving / integratie / Onderwijs 02.04.2005
In Slotervaart, de Amsterdamse buurt waar Mohammed B. opgroeide, ligt het Calvijn College. Margalith Kleijwegt volgde een jaar lang de ouders van drieëntwintig rumoerige pubers uit de 'zwarte' klas 2K.
De tapasbar van meneer Demircan
Ouders die hier al jaren wonen maar die verlangen naar het moment dat ze weer terug kunnen naar hun eigen land. Ze komen uit Marokko, Turkije, Suriname, Indonesië. Wie zijn deze ouders, wat verwachten ze van hun kinderen en hoe voeden ze op? Voor haar boek 'Onzichtbare ouders' ging Kleijwegt op huisbezoek bij de meeste gezinnen van klas 2K. Ook bij meneer en mevrouw Demircan, de ouders van de vijftienjarige Mehmet. 'Op school toont hij respect, thuis niet zo.'
Het is een paar dagen na de dood van conrector Hans van Wieren van het Terra College. Om tien uur ’s ochtends sta ik voor de flat van de familie Demircan. Nog geen vijfhonderd meter van het Calvijn College. Een vrouwenstem spreekt me via de intercom toe. In het Turks. ‘Afspraak,’ roep ik terug. ‘Afspraak met man.’
De deur klikt open. Boven aan de trap staat een verlegen vrouw, een sjaal om haar hoofd, een mobieltje in haar hand. Ze wijst op de telefoon. ‘Man,’ zegt ze een paar keer. Uit haar gebaren maak ik op dat ze hem net heeft gebeld. We blijven op de overloop staan, ze lacht. Na een paar minuten komt hij boven, de vader van de vijftienjarige Mehmet Demircan. Een kleine man die er ouder uitziet dan zijn vierendertig jaar. Meneer Demircan was op weg naar de school van Mehmet. Hij dacht dat onze afspraak daar was.
In de ruime woonkamer kijkt hij me vragend aan. De televisie staat aan, een Turks amusementsprogramma laat dansende meisjes zien in glimmende blauwe pakjes. Op de nieuwe schotelantenne zitten geen Nederlandse zenders. ‘Is niet nodig,’ zegt meneer Demircan in gebroken maar goed verstaanbaar Nederlands.
Binnen een paar jaar gaat hij met zijn vrouw en drie kinderen terug naar Turkije, zegt hij. Dus is kennis van het Nederlands niet zo belangrijk. Voordat zijn zoon Mehmet achttien jaar is, wil vader Demircan uit Nederland weg zijn. ‘Ik ben bang dat Mehmet anders in de problemen komt. Jongens van die leeftijd krijgen hier te veel vrijheid. Ze hangen op plekken waar ze niet zouden moeten zijn. Soms worden ze crimineel.’ Hij kent de gevaren: ‘Vroeger deed ik alles wat God heeft verboden. Ik heb gegokt en ik heb gedronken. Vanaf het moment dat ik trouwde, heb ik mijn leven gebeterd.’
Meneer Demircan wil zijn zoon voor misstappen behoeden: ‘Ik vertel mijn zoon wat goed is en wat slecht. Maar of hij zal luisteren?’ Zijn vrouw en hij komen uit Midden-Turkije. Ze groeiden op in de buurt van de religieuze steden Karaman en Konya. Jaren geleden kwam zijn vader, Mehmets grootvader, als illegale arbeider naar Nederland. Hij werkte hard, leidde een onzeker bestaan en werd regelmatig opgepakt en naar Turkije uitgezet. ‘Iedere keer als hij terugkwam, nam hij een heleboel landgenoten mee. Zo kwam heel Konya hier,’ lacht meneer Demircan. In 1983 kwam hij zelf met zijn moeder en zijn broers en zussen. School werd een ramp voor de vader van Mehmet. Hij wilde wel, maar hij begreep de lesstof niet. ‘Ik zakte voor alles.’ Zodra hij zestien was, ging hij werken.
Zijn vrouw, ze is vijfendertig, heeft hier nooit kunnen aarden, zegt ze. ‘De eerste drie jaar heb ik alleen maar gehuild.’ Meneer Demircan haalde haar in 1987 naar Nederland. ‘Ik niet goed Nederlands praten,’ zegt ze. Ze haalt haar schouders op. Haar jongste dochter Zeynep eist haar aandacht. Het meisje klimt op moeders schoot en trekt aan haar arm.
Vriendelijk weert moeder Zeynep af, die dan maar bij haar vader op de bank klimt. De inrichting is sober: een bankstel, een verrijdbare lage tafel waar ook aan wordt gegeten. Op de televisie staat een beeldje van de koran, met eraan vast een minaret. Aan de muur hangen ingelijste koranteksten. Een jaar geleden verhuisden de Demircans van de drukke Mercatorbuurt, waar ze vijftien jaar woonden, naar deze rustige omgeving in Slotervaart. De buren zijn niet langer Turks, maar Nederlands. Dat is precies waarom mevrouw Demircan hier niet gelukkig is. Wat moet ze in dit grote huis? Naast mensen die haar taal niet spreken? Een van de kamers staat leeg, hij was bedoeld voor haar middelste dochter, maar die vond het niet prettig om alleen te slapen. Ze ligt nu al een jaar ’s nachts bij haar zusje in bed.
Mevrouw Demircan begrijpt haar dochter wel. Zelf vindt ze het huis ook veel te stil. Kon ze maar weer terug naar de Mercatorbuurt. Dan maar in een kleiner huis. Dicht bij haar vriendinnen.
Waarom ze geen Nederlands spreekt? ‘Twee jaar les gehad, maar was niet leuk,’ zegt ze. ‘Praten is moeilijk, begrijpen een beetje.’
Ze zit er verloren bij. Waarom gaat ze niet helpen bij de peuterspeelzaal waar haar jongste dochter op zit? Ze zucht. ‘Weet niet.’
Haar man maakt lange dagen in zijn eethuisje in het centrum van Amsterdam. Hij vertrekt om twaalf uur in de ochtend, pas na middernacht is hij weer thuis. Zodra zijn zaak echt goed loopt, wil hij de boel verkopen en teruggaan naar zijn vaderland.
De opvoeding van de drie kinderen komt voor een groot deel op zijn vrouw neer. ‘Moeilijk kinderen,’ verzucht ze. Mehmet vertelt thuis nooit iets over school. Hij zegt dat hij zijn huiswerk doet, maar of dat ook zo is? Mevrouw Demircan kan dat niet controleren. School is een abstract begrip voor haar. Ze heeft geen idee waar het gebouw staat of wat haar oudste zoon daar doet. Ze denkt wel dat hij zich daar beter gedraagt dan thuis. ‘Op school toont hij respect, thuis niet zo.’ Verlegen: ‘Ik ben een beetje eenzaam hier.’
Een halfjaar later. Op een zwoele zomeravond ga ik langs bij de snackbar van meneer Demircan in het centrum van Amsterdam. Die valt nauwelijks op tussen de meer opgedirkte Portugese, Italiaanse en Indonesische restaurants. Tegen de gevel van meneer Demircan hangt een vlag met kebabvlees, de enige aanwijzing dat het hier om een snackbar gaat. Een smalle ruimte met eenvoudige, donkere tafels en stoelen. Op de linker muur heeft een van zijn vrienden een eigenzinnige impressie van huizen langs de Seine geschilderd.
Meneer Demircan staat achter de toonbank. De kleine televisie op de grote koelkast is op een Turkse zender afgestemd. Het geluid staat uit. Een oudere, sjofel geklede man met een grote bril op zijn neus eet een hamburger aan het voorste tafeltje. Hij komt iedere dag, verlegen om een praatje. ‘Het eten is hier altijd lekker,’ constateert hij. Meneer Demircan glimlacht om het compliment.
De lichtbak boven de toonbank, met daarop het snackbarmenu, is uitgeschakeld.
‘Ik wil richting restaurant,’ legt hij uit. ‘Snackbarklanten verteren te weinig.’ Zijn zakelijk instinct zegt hem dat hij nú moet omschakelen, wil hij over een paar jaar aan de Turkse kust kunnen beginnen. Resoluut: ‘Ik ga de Spaanse-Italiaanse kant uit, ik word een tapasbar.’ Een neef van meneer Demircan zit aan de Turkse kruiswoordpuzzels. Hij is een verzorgde man met op zijn nette broek een mooie zwarte blouse. Diep voorovergebogen en zonder een woord te zeggen vult hij de lege hokjes van de paginagrote puzzel in. ‘Mijn neef is hier illegaal,’ verklaart meneer Demircan de schuwe houding van zijn familielid. De man geeft geen krimp. Het leven als illegaal is er volgens meneer Demircan niet makkelijker op geworden. Waar kunnen mensen zonder papieren nog een fatsoenlijke boterham verdienen? In de naaiateliers? Onmogelijk, zegt hij. Daar wordt veel te streng gecontroleerd. De bouw, dat is de enige plek voor de illegaal van nu. Zwaar werk, lange dagen, maar er valt genoeg te doen. Zijn neef knikt, glimlacht verlegen en duikt weer in de puzzel.
De sfeer is er een van mannen onder elkaar. Beetje kletsen, sigaretje roken en een alcoholvrij biertje drinken. Meneer Demircans vrouw en kinderen zijn in Turkije, ze brengen de vakantie door bij haar ouders. Mehmet is deze vakantie de man in huis. Hij zal zijn moeder bij ieder uitstapje dat ze maakt, moeten begeleiden, vertelt meneer Demircan. Een weekje in een luxehotel aan zee, zoals andere jaren, zit er deze zomer niet in. Zijn schoonvader gaat wel naar zee, maar gewoon, met een handdoek en een parasol en met zelfbereid eten. Dat vindt Mehmet maar niets. Hij gaat alleen als het op een luxemanier kan.
Voor de vakantie bleef Mehmet regelmatig weg van school. Hij spijbelde. Zijn vader is daarvan op de hoogte, hij vindt het vervelend. Hij haalt zijn schouders op. ‘Natuurlijk wil ik dat Mehmet naar school gaat. Maar als hij niet verschijnt, kan ik daar weinig aan doen.’ De avond kruipt voorbij, af en toe is er een klant. Studenten die een biertje willen, eenzame mannen die wat komen eten. Mensen uit de buurt. Meneer Demircan glimlacht en bedient. Tegen tienen loopt de bovenbuurman binnen, samen met zijn zoontje. Kleine Marco hangt om de nek van zijn vader en overdekt hem met kusjes. Pappie, pappie, zegt het jongetje liefdevol. Hij klampt zich vast aan zijn vader, die hij alleen in de weekends ziet. Ze bestellen ieder een pizza. Meneer Demircan gooit het pizzadeeg in de lucht, Marco kijkt bewonderend toe. Pedro arriveert, de Spaanse vriend van meneer Demircan. Hij heeft die middag sardientjes en aardappelsalade gemaakt. Deze tapas vullen de bruine aardewerken schalen die in de vitrine staan op de plaats waar tot kort geleden de frikadellen en kroketten lagen. ‘Deze straat heeft nog geen tapasbar,’ zegt meneer Demircan tevreden. Hij heeft goed nagedacht over de toekomst van zijn zaak. En ook al weet hij dat er nog veel andere restaurants in de straat zijn, zelfs een Portugees, voelt hij dat hij op de juiste plek zit met zijn tapasbar. De kleine samengestelde maaltijd, voorziet hij, is een gat in de markt.
Ahmed, zijn Turkse keukenhulp, een stevige man in een felrood T-shirt, blijkt de hele avond op een matras achter in de keuken te hebben geslapen. Eenmaal wakker gaat hij zwijgend achter de potten en pannen staan. Een kwartier later komt hij te voorschijn met dampende borden pasta voor Pedro en de illegale neef van meneer Demircan. De mannen lachen. ‘Hij is net mamma!’ roepen ze in koor. Ahmed zat onlangs een paar weken in de bak. Hij werd aangevallen in de bus en liet zijn belager ter verdediging een mes zien. Hij deed er niets mee maar toch zette de politie hem vast. Meneer Demircan stond er in die periode alleen voor. Hij maakte tijd vrij om regelmatig in het huis van bewaring bij Ahmed langs te gaan.
‘Wij zijn vrienden,’ legt meneer Demircan plechtig uit. ‘Wij helpen elkaar.’ Hij is even stil. Dan, met nadruk: ‘Dat doen Nederlanders niet, die helpen elkaar niet zomaar.’ Ter illustratie haalt hij een pak formulieren met ingewikkelde vragen te voorschijn. Van de gemeente. Hij wil een klein reclamebord buiten hangen. De verplichte administratieve rompslomp om van de gemeente toestemming te krijgen, is volgens hem buiten iedere proportie. ‘Hier mag steeds minder. De regering, de gemeente, ze maken het me zo moeilijk! Ik wacht ook al twee en een half jaar op een parkeervergunning in deze buurt.’
Toen meneer Demircan besloot zijn zaak te verbouwen, vroeg hij een starterssubsidie aan bij de gemeente Amsterdam. De ambtenaar die kwam kijken, was onder de indruk van zijn plannen. ‘Hij was heel positief.’ Het rapport dat volgde, was vernietigend. ‘Mijn zaak zat op een verkeerd punt, er zijn hier te veel restaurants. Hij schreef dat mijn restaurant niet levensvatbaar zou zijn.’
Meneer Demircan kijkt me aan, een ongelovig lachje op zijn gezicht. ‘Waarom zegt zo’n man tegen mij dat hij mijn zaak mooi vindt? Waarom? In plaats van me te helpen, word ik gewoon belazerd. Wat wil de gemeente nou eigenlijk? Dat ik mijn zaak dichtdoe en van de sociale dienst ga leven?’ Hij is dag en nacht in de weer. Met de verbouwing en met de bereiding van nieuwe gerechten. Hij brengt ook folders rond in de hoop op nieuwe klanten. Zoon Mehmet ontwierp op zijn computer in bijna onleesbaar kleine letters een menukaart. Die hangt nu in tweevoud buiten tegen de muur.
‘Wij zijn Europese burgers,’ zegt vriend Pedro strijdbaar. Het is inmiddels halftwaalf en nog steeds is het warm. Het afgelopen uur is er geen klant binnen geweest, maar meneer Demircan piekert er niet over om eerder dan twaalf uur dicht te gaan. Buiten slaat een psychisch gestoorde man onverstaanbare kreten uit. Demircan loopt naar de deuropening en speurt de omgeving af. Hij wil weten wie er zo gilt en waar de hasjlucht vandaan komt die plotseling zijn zaak binnenwaait.
In september 2004, het nieuwe schooljaar is inmiddels begonnen, is zoon Mehmet weer gaan spijbelen. Jacob Eikelboom, behalve zijn leraar Nederlands ook zijn nieuwe mentor, belde de eerste keer dat Mehmet niet kwam opdagen tijdens de les naar huis. Alle leerlingen konden het gesprek volgen.
Mehmets moeder nam op.
‘Zoon is ziek,’ zei ze.
‘Dan kan ik hem zeker wel even spreken,’ antwoordde de mentor.
‘Goed,’ zei moeder.
Na een paar minuten kwam Mehmet aan de telefoon.
‘Ik ben moe, meester. Ik lag nog te slapen.’
‘Maar ben je ziek?’ vroeg de mentor.
‘Nee, meester, ik ben niet ziek, ik ben moe.’
‘Dan ga je nu je bed uit en kom je onmiddellijk naar school,’ verordonneerde de mentor.
‘Ja, meester,’ zei Mehmet.
Maar die dag verscheen hij niet.
In november, een dag na het Suikerfeest, en twee weken na de moord op Theo van Gogh, hangt de kerstversiering al in de straat van meneer Demircans tapasbar. Het is maandagavond. Ondanks de lichtreclame die nu buiten hangt, zijn er geen klanten. Op de tafels ligt een papieren kleedje, de servetten zijn mooi gevouwen. De verbouwing is bijna klaar, vertelt meneer Demircan tevreden. ‘Ik ben een restaurant, nu maak ik kans dat het een succes wordt. Als snackbar ga je failliet.’ Een klant komt een pizza halen, meneer Demircan doet zijn schort voor. Zijn pizza’s zijn in de wijde omgeving bekend, vertelt hij. Hij heeft besloten opnieuw een lening bij de gemeente aan te vragen.
Hij hoopt erop dat hij het geld dit keer wel krijgt. Nu hij zich restaurant noemt, komt zijn aanvraag bij een andere afdeling dan toen hij snackbar was. Ahmed, de vroegere keukenhulp, komt binnen. Hij draagt een rood T-shirt met daarop een zwartleren jasje. Hij werkt niet meer bij meneer Demircan. Ahmed staat in een andere snackbar en daar is het, vertelt hij, erg, erg rustig. De mannen praten Turks met elkaar. De moord op Theo van Gogh leeft niet echt in meneer Demircans tapasbar. Hij en Ahmed weten ervan, maar hoe het precies zit? Wie hij was? Wat Van Gogh over moslims zei? Ze hebben geen idee. ‘Het is erg,’ zegt meneer Demircan en haalt zijn schouders op. ‘Het is gebeurd, kennelijk had hij veel moslims beledigd.’
Het geloof is belangrijk voor hem. ‘Kijk,’ legt hij geduldig uit, ‘wij moslims leven in afwachting van ons volgende leven.’ Hij trekt een vergelijking met zijn restaurant. ‘Als ik het goed doe, als ik lekker eten serveer in deze tapasbar, dan krijg ik meer klanten. Met mijn geloof is het eigenlijk net zo. Als ik nu netjes de regels van de islam volg, dan krijg ik het in mijn volgend leven beter. Deze periode op aarde is niet alleen tijdelijk, het is ook een examen.’
De kranten staan vol over het ondergedoken VVD-Tweede-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali. Over Pim Fortuyn als Grootste Nederlander. En over moskeeën die, net als de Tweede-Kamerleden Hirsi Ali en Wilders, beveiligd willen worden sinds een week eerder een islamitische basisschool in Uden afbrandde en verschillende moskeeën werden bedreigd. De interetnische spanningen staan ver van de mannen af. Hoewel.
Er zijn twee Marokkaanse meisjes doodgemaakt, zegt Ahmed plotseling met grote stelligheid. ‘Echt waar, ze zijn expres aangereden, heb ik gehoord.’ Waar en hoe, dat weet hij niet. Het verhaal circuleert in Turkse kring, zegt hij. En dus is het waar. De naam van Ayaan Hirsi Ali zegt hen niets. Van de film Submission hebben ze nog nooit gehoord. Meneer Demircan heeft andere zaken aan zijn hoofd. ‘Ik ben zo blij dat ik geen snackbar meer ben,’ verzucht hij een paar keer uit de grond van zijn hart. Omdat klanten nu meer zullen consumeren, stijgt de omzet, zo is zijn verwachting. Zodra de tapasbar goed loopt, wil hij hem verkopen. Hij heeft geen enkele band meer met Nederland. De regels zijn verstikkend en nu gaat de economie ook nog slecht. ‘Vroeger hielpen de Nederlanders je als je bij een instantie vroeg of ze je wilden helpen bij het invullen van een formulier. Nu word je weggestuurd en moet je het zelf maar uitzoeken. Het lijkt alsof ze je geen geluk gunnen. Iedere dag is er wel wat. De ene keer is er controle van de brandweer, dan weer komt er iemand van de milieuwet. Dat houdt toch niemand vol?’
Veel Turken denken er net zo over, vertelt hij: ‘Vijf jaar geleden lachten mijn vrienden en familie me uit. Nu willen ze zelf ook terug. Ik zeg het je: over tien jaar is de helft van de Turken terug in Turkije. Daar is werk. Daar ligt onze toekomst.’

