VN MediagidsScholieren provoceren met openlijk anti-semitisme
Samenleving / integratie / Onderwijs 29.11.2003
Is het nog mogelijk les te geven over de Tweede Wereldoorlog op een Amsterdamse vmbo-school? Ja, maar makkelijk is anders. Als een lerares een davidster op het bord tekent, eist een leerling dat ze die weer wegveegt. Reden? ‘Ik haat joden.’
Tijdens de eerste pauze vertelt Jacob Eikelboom dat zijn klas, 4-vmbo, vandaag erg druk is. ‘Ik weet niet wat het is,’ zegt de leraar Nederlands aan het Calvijn College in Amsterdam-West. ‘We bereiden een debat over racisme voor. De leerlingen willen dat racisme strenger wordt gestraft. Net schold een jongen zijn klasgenoot uit voor kankerjood. Ik riep meteen: dat is dan twee jaar cel!’
Eikelboom (30) schreef op 12 september 2001 een brief aan Het Parool dat hij verbijsterd was dat een groot deel van zijn leerlingen de aanslag op het World Trade Center toejuichte. Hij vond het te makkelijk en zelfs ‘dom’ om hun reacties af te doen als voorbijgaand pubergedrag.
Hij bleek niet de enige die met dit probleem worstelde. De Anne Frank Stichting kreeg na 11 september 2001 steeds vaker verontruste leraren aan de lijn. Niet alleen het toenemende anti-semitisme baarde hun zorgen, ze zagen een verharding op alle fronten. De Anne Frankstichting organiseerde vorige maand een seminar voor leraren die moeite hadden met het groeiende anti-westerse sentiment. Jacob Eikelboom was daar, net als bijzonder hoogleraar hedendaags jodendom Evelien Gans een van de inleiders. Naar aanleiding van die conferentie sprak burgemeester Job Cohen in de gemeenteraad zijn afschuw uit over het toenemende anti-semitisme op scholen. Samen met wethouder Rob Oudkerk schreef hij een brief aan zeventig scholen met het verzoek alle anti-semitische incidenten aan hen te melden. Mochten docenten problemen hebben bij het lesgeven, dan waren Oudkerk en Cohen graag bereid het van ze over te nemen.
Scholen doen die brief af als flauwekul. ‘Ik heb hem meteen in de prullenbak gegooid,’ zegt een directeur van een vmbo-school. Het probleem is veel omvangrijker dan alleen anti-semitisme, zeggen docenten, en moet bínnen de school worden opgelost. ‘Want wat zijn de heren precies van plan?’ vraagt Jacob Eikelboom zich af. ‘Wij kennen onze leerlingen, zij niet.’
Hij behandelt inmiddels het boek Kinderjaren van Jona Oberski in de vierde klas. Leerlingen moeten vragen beantwoorden als: over welke oorlog gaat het boek Kinderjaren? Maar ook: wat denk je dat de schrijver met dit boek wil bereiken? Eikelboom is tevreden, de belangstelling voor dit project – ze moeten ook een gedicht over de oorlog uitzoeken en een film bekijken – is redelijk.
Zouden de kinderen vandaag zo druk zijn vanwege de ramadan, vraagt Eikelboom zich af aan het eind van de eerste pauze. Zijn collega Carolien van Aken vermoedt van wel. Ze geeft geschiedenis en deze weken behandelt ze de Tweede Wereldoorlog. Leerlingen vinden de oorlog vooral spannend, zegt Van Aken. Er wordt in gevochten, er vallen veel doden en uiteindelijk wint Nederland. Ze benadrukt in haar les dat de economische crisis van 1933 de oorzaak van de oorlog was.
Haar klaslokaal is op de tweede verdieping. De leerlingen werken vandaag in groepjes. De opdracht is om begrippen uit het lesboek bij elkaar te zoeken. Vorige keer ging het over emancipatie, dus Aletta Jacobs moest worden ingedeeld bij vrouwenkiesrecht. Deze les horen bijvoorbeeld jodenhaat en concentratiekampen bij elkaar. De leerlingen moeten er met elkaar over praten. Vier leerlingen besluiten na rijp beraad de Hongerwinter bij de Eerste Wereldoorlog te zetten.
De leerlingen moeten ook nog antwoord geven op een vraag van Van Aken. ‘Waarom is het belangrijk om het nu nog steeds over de oorlog te hebben?’
‘Discriminatie,’ roept een leerling.
‘Van wie?’ vraagt Van Aken. ‘Van Chinezen? Van leraren? Ik wil dat je preciezer bent.’
De leerlingen vinden de vraag erg moeilijk: ‘Omdat prins Claus een Duitser is,’ schrijft de een op zijn blaadje.
‘Omdat er veel burgers zijn vermoord.’
‘Als Hitler nog de macht had, waren we nu allemaal Duitsers.’
‘Als we het over de oorlog hebben, bedoelen we Afghanistan,’ zegt een meisje dat verder niks kan verzinnen.
Haar buurvrouw, spottend: ‘Ik heb thuis oorlog. Dag en nacht. Met mijn broers en zussen.’
Het overgrote deel van de leerlingen van het Calvijn College is Marokkaans, de anderen zijn Turks, Surinaams en heel soms zit er een geboren en getogen Nederlander tussen. Zeven keer geeft Van Aken vandaag dezelfde les. Telkens aan een nieuwe groep matig tot ongeïnteresseerde pubers, die vaak ook nog eens moeite hebben met de Nederlandse taal.
Van Aken kijkt nergens meer van op. Haar leerlingen groeien vaak op zonder structuur en dus zonder bescherming. Soms lijken de ouders volstrekt afwezig of trekken de kinderen zich weinig van hen aan. Andere ouders zijn juist ongelofelijk streng waardoor de kinderen op school gaan rebelleren.
Het groeiende anti-semitisme is maar één facet van hun soms provocerende gedrag. ‘Afgelopen jaar maakten leerlingen elkaar ineens voor kankerjood uit,’ vertelt Van Aken. ‘Ik wist niet wat ik hoorde! In mijn lessen mag alles worden besproken, al probeer ik de Palestijnse kwestie wel buiten de discussie te houden. Ze zijn onredelijk, te vol van hun eigen onmacht en frustraties. Ze zijn niet bereid om naar de feiten te kijken. Al stellen ze soms natuurlijk ook goeie vragen, zoals waarom wij altijd blind Amerika steunen.
Ik heb er als leraar totaal geen zicht op wat ze thuis bespreken en zien. Ouders verschijnen ook zelden op school. Ik tekende een keer, als onderdeel van de les, een davidster op het bord. Een van de leerlingen eiste dat ik die weg zou vegen. “Ik haat joden,— was zijn simpele verklaring.
Natuurlijk ga ik erop in, vraag hoe hij dat bedoelt. Maar meestal kom ik niet ver. Waarschijnlijk weten ze zelf niet eens precies wat ze vinden. Ik wil hun graag bijbrengen hoe demagogie werkt en waar machtsmisbruik toe kan leiden. We vertonen een film van de Anne Frankstichting waarin je heel goed kunt zien hoe Hitler een stadion stil krijgt. We hebben die film één keer overgeslagen, er zat zo’n op macht beluste jongen in de klas dat we bang waren dat hij de beelden zou misbruiken.’
Rachid legt demonstratief zijn mobieltje op tafel. ‘Je hoeft je vriendinnetje niet te bellen,’ zegt Van Aken, terwijl ze de lesopdracht uitdeelt. Rachid peutert aan zijn telefoon en een paar minuten later ligt het apparaat in twee helften voor hem op tafel. Van Aken slaat er verder geen acht op.
‘Waarom veroverden de Duitsers Nederland?’ vraagt ze.
‘Ze wilden macht,’ zegt een jongen.
Zijn buurman: ‘Ze waren slim, ik wil ook macht.’
‘Hij wilde de baas zijn over heel veel landen,’ probeert Van Aken.
‘Hoe werd Hitler de baas?’
Er gaat een hand omhoog: ‘Hij richtte een partij op.’
‘Net als de Taliban-strijders,’ roept iemand enthousiast.
‘Maar als hij een partij oprichtte dan wisten de joden toch wat ze te wachten stond,’ oppert iemand.
‘Juffrouw,’ roept een ander, ‘waarom was Hitler nou tegen de joden?’
Het is moeilijk om de scholieren bij de les te houden. Aan Van Aken ligt het niet. Ze is ontspannen en bevlogen. Achter haar rug om maken de leerlingen grappen, over Bin Laden, over Hamas en over joden die aan het gas moeten. Maar als Van Aken in hun richting kijkt, werken ze snel door. Een groep meisjes heeft de vraag helemaal door. De oorlog is een waarschuwing, schrijven ze. Het laat zien wat er gebeurt als je blindelings achter een leider aan holt. ‘Je moet altijd een eigen mening hebben.’
De leerlingen van de derde groep deze ochtend zetten zich zuchtend en steunend aan het werk. Een jongen staat op en doet zijn gulp open. Een ander prijst de kwaliteit van de nieuwe dvd-speler in het lokaal, om er lachend aan toe te voegen: ‘Die staat er morgen niet meer.’
Ibrahim vertelt dat hij onder de indruk was van de film van de Anne Frankstichting die ze vorige week zagen. ‘De joden moesten tweehonderdzeventig dagen in een concentratiekamp. Dat hielden ze niet vol, want ze kregen allemaal ziekten.’
Een andere jongen wipt onrustig heen en weer op zijn stoel. Hij verwoordt wat veel klasgenoten waarschijnlijk denken: ‘De oorlog interesseert me niet. Ik wil geld verdienen, ik wil helemaal niet naar school.’
Als de scholieren van de derde groep hun lesopdracht inleveren, blijkt er twee keer een hakenkruis achterop het werkblad te staan. Van Aken is niet verbaasd, dat komt wel meer voor. Veel leerlingen hebben overal lak aan, dus zeker aan zaken die bij Nederlanders gevoelig liggen.
Tussen ieder lesuur door schuift Van Aken het raam helemaal open. IJskoude lucht stroomt het lokaal binnen. Om twee uur ‘s middags begint de laatste les. Van Aken legt de bedoeling nog één keer geduldig uit.
‘Joden, moeten we doden,’ zingt een Marokkaanse jongen zachtjes voor zich uit als Van Aken bij een ander groepje staat om iets over Hitler uit te leggen. De jongen, snelle kleren, een brutale blik, gaat nog een tijdje door, de anderen uit zijn groepje grinniken schaapachtig. Tien minuten later, hij is inmiddels gestopt, begint zijn Turkse overbuurman met een variatie op hetzelfde thema: ‘Joden, doden,’ roept hij, eerst zachtjes, dan harder. Van Aken moet het nu wel horen. Ze roept hem bij zich, de anderen van het groepje lachen. ‘Vind je dit normaal?’ vraagt ze streng.
De jongen zwijgt.
‘Ik zegt toch ook niet: alle moslims aan de heroïne!’
‘Ze waren me aan het pesten,’ zegt de jongen timide.
Zijn overbuurman die met het scanderen was begonnen, doet nu of hij ijverig aan het werk is.
De Turkse jongen moet voor straf de laatste lesopdracht in zijn eentje afmaken. Hij is wanhopig. Hij heeft echt geen idee wat hij moet antwoorden op de vraag waarom de Tweede Wereldoorlog nog steeds belangrijk is. ‘Ik wil terug naar mijn groepje juf, ik kan dit niet alleen.’
Een dilemma voor veel leraren is de vraag wanneer wel en wanneer niet te reageren op zulke provocaties van hun leerlingen. Dat werd duidelijk tijdens de conferentie die de Anne Frankstichting begin oktober hield. ‘Sommige docenten zeiden eerlijk dat ze de confrontatie niet aan dúrven gaan,’ vertelt Karen Polak van de stichting. ‘Uit angst voor de reacties van hun leerlingen.’
Volgens Polak zijn er ook scholen die het probleem van de toenemende intolerantie liever verzwijgen. Of waar het niet belangrijk wordt gevonden. ‘De directeur zei tegen me: ga jij maar, want je bent joods,’ vertelde een van de deelnemers aan Polak. ‘Die directeur beschouwde het als een privéhobby.’
Bij docenten slaat steeds vaker de vermoeidheid toe als ze les moeten geven over de oorlog, is de indruk van Polak. ‘De Franse Revolutie is minder confronterend,’ zegt ze. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd en kan weer gebeuren, schreef Primo Levi. Het kán niet dat kinderen geen les krijgen over de Tweede Wereldoorlog.’
Het liefst zou Karen Polak zelf naar de scholen toe gaan om dáár met leraren te praten. Leraren denken onderling heel verschillend over wat er aan de orde moet komen in een geschiedenisles, daar kunnen we dan ook op ingaan.’
Martine Uleman, docente Nederlands aan het Sweelinck College in Amsterdam-Zuid, had veel aan de conferentie van de Anne Frankstichting. Alleen al het uitwisselen van ervaringen met andere docenten vond ze leerzaam. Vroeger gaf ze les op een ‘witte’ vmbo-school. Leerlingen hadden daar ook weinig historisch besef, maar ze kon ze wel wat bijbrengen. ‘Ik legde uit dat Hitler veel van dieren hield. Eigenlijk was het een gewone man die rare dingen met mensen deed. Dat sprak aan.’
Pas na de gewraakte elfde september merkte ze dat allochtone leerlingen totaal anders in het leven staan. ‘Ze haalden informatie voor hun spreekbeurt over een actueel thema uit een krantje waarin zelfmoordenaars verheerlijkt worden. Ze beweerden dat Israëlische soldaten dronken op Palestijnen worden af gestuurd. Het verbijsterde me dat ze die verhalen voor waar hielden.’
Haar collega Gina Bruyne valt haar bij: ‘Niemand in hun omgeving legt ze uit hoe het wél zit.’ Ze geeft geschiedenis en ze merkt dat leerlingen het onderscheid tussen joden en Israëliërs gewoonweg niet kunnen maken.
‘Op mijn vorige school,’ zegt Uleman bijna verlegen, zei ik, om leerlingen met anti-semitisme te confronteren, nog wel eens dat een deel van mijn familie joods is. Nu durf ik dat niet meer zomaar. Eigenlijk vind ik dat heel laf. Zo moet je je dus hebben gevoeld eind jaren dertig. In je wezen aangetast.’
Surinaamse kinderen, vertelt Bruyne, zijn vaak goud waard tijdens moeilijke discussies. ‘Waarom haat jij joden zo?’ vragen ze islamitische leerlingen. ‘Jij bent toch geen Palestijn?’
Het Sweelinck College in Amsterdam-Zuid kreeg het de afgelopen weken hard te verduren. Een jonge leraar, werd na een ruzie met leerlingen ernstig mishandeld. De leraar zit voorlopig thuis, de vier allochtone daders zijn van school gestuurd. De school probeert wel een andere plek voor ze te vinden. De andere leraren laten zich er niet onder krijgen. Uleman en Bruyne zijn bezig samen met de lerares Frans, islamitisch mét hoofddoek, een project te ontwikkelen. ‘Woorden als respect wil ik niet meer horen, dat is inmiddels zo’n loze kreet,’ zegt Uleman. Bruyne: ‘We willen overeenkomsten zoeken, wederzijds begrip kweken.’ Uleman: ‘Mijn handen jeuken!’
Voor hij zijn lokaal in gaat, passeert Cor Meijer zijn naamgenoot en collega Bas Meijer. ‘Op mijn vorige school, een vmbo,’ vertelt Bas Meijer, dacht een aantal leerlingen dat ik joods was,’ zegt Bas Meijer. ‘Dat bén ik niet, maar ik voelde de haat als ik langs ze liep, ze sisten “vuile jood—. Ik vond het heel akelig.’
Op de school waar hij nu werkt, het Cartesius Lyceum in Amsterdam-Westerpark, tegen de binnenstad aan, komen zulke incidenten niet voor. Het is wat je noemt een leuke, multiculturele school. Er zijn Nederlandse, Turkse, Surinaamse en Marokkaanse leerlingen, twee meisjes dragen een niqaab (een zwarte sluier die het gezicht bedekt). In de school moeten ze die wel afdoen.
In de klas van Cor Meijer is de sfeer ontspannen. Hij legt een stapel gekopieerde krantenberichten voor zich op tafel. Hij geeft geschiedenis aan 4-vwo/gymnasium. De kinderen in de klas van Meijer zijn leergierig. Ze lezen kranten, boeken, ze debatteren. Kortom: ze denken na. Toch liggen bepaalde onderwerpen ook hier heel gevoelig. Meijer begint de les bijna plechtig: ‘Jullie weten dat ik joods ben, jullie weten ook dat ik er een hekel aan heb om de oorlog te behandelen.’ De leerlingen zijn muisstil. Meijers verleden is voelbaar aanwezig. ‘Soms vraag ik me af,’ gaat hij verder, ‘Of ik misschien laf ben. Want dat ik het niet doe, heeft met mezelf te maken. Ik ben bang dat ik te emotioneel word.’ De leerlingen weten niet goed hoe ze moeten kijken.
‘Moet je zeggen dat je joods bent?’ Meijer probeert zijn toon neutraal te houden. ‘Moet je het zeggen als je homo bent?’
‘Je moet er niet mee te koop lopen,’ antwoordt een leerling. ‘Vergeet niet, kinderen ruiken angst.’
‘Bestaat er homofobie?’ Meijer wil een eerlijk antwoord, maar de leerlingen zijn schroomvallig. Hij probeert ze via heksenvervolging, zijn eigenlijke onderwerp die ochtend, aan het praten te krijgen. ‘Wat werd er over heksen gezegd? Ze veroorzaakten ziekten en wat nog meer?’
‘Natuurrampen,’ zegt een Turkse meisje met hoofddoek en in een vormeloze jurk, zachtjes. ‘Goed,’ roept Meijer. ‘En welke stereotypen bestaan er over joden?’
‘Dat ze minder intelligent zijn,’ roept een jongen.
‘Dat ze rijk zijn,’ zegt een ander. ‘Gierig!’ voegt een derde daaraan toe.
Meijer pakt De Telegraaf van 8 november waarin een artikel staat met de vette kop ‘Stop de Jodenhaat’. ‘Wangedrag islamitische jongeren op Amsterdamse scholen loopt spuigaten uit’, staat er ook te lezen ‘Wat vinden jullie van dit stuk?’ Ondanks zijn duidelijke afkeuring voor de opgeklopte presentatie van het artikel blijven de leerlingen opmerkelijk stil.
‘Wie komt het wel eens tegen, jodenhaat?’ vraagt Meijer.
Een Surinaamse jongen, met zorgvuldig geblondeerde punten in zijn haar, steekt zijn vinger op. ‘Ik kwam het tegen bij een zwembad. Marokkaanse jongens vroegen aan anderen of ze jood waren.’
Asmae, zelf Marokkaanse, zegt kattig dat hij niet kon weten of het Marokkanen waren. ‘Ze kunnen ook Algerijns zijn geweest, of Egyptisch.’
‘Daar heb je gelijk in,’ valt Meijer haar bij. ‘Wie merkt zelf wel eens wat van discriminatie? De twee punkers uit de klas steken nu hun vingers op. ‘Ik word vaak voor junk uitgescholden,’ zegt de dunste van de twee.
‘Op mijn vorige school, het Barlaeus Gymnasium, bestaan veel vooroordelen over Marokkanen,’ zegt een Surinaamse jongen. De twee meisjes met hoofddoeken houden zich opvallend gedeisd.
Asmae wil toch nog even kwijt waarom er volgens haar anti-joodse kreten worden geroepen. ‘Dat is vanwege Israël. Díé joden haten ze.’
Meijer behandelt vervolgens een krantenbericht met het nieuws dat Israël door de doorsnee-Europeaan wordt gezien als het grootste gevaar voor de wereldvrede.
‘Vinden jullie dat ook?’ vraagt hij zijn klas. Stilte. ‘Is er eigenlijk iemand die niet weet wat anti-semitisme is?’ Twee leerlingen steken verlegen hun vinger op.
Meijer kijkt ze vriendelijk aan. ‘Jongens, waarom zéggen jullie dat dan niet?’

